Johannes Lambertes BONEKAMP 1914 – 1944


Verzamelde gegevens over het verzetswerk van Jan Bonekamp uit andere bronnen.


Truus Menger, Toen niet nu niet nooit


bldz. 97 1944 Hannie en Jan
Hannie werkte weer samen met Jan Bonekamp. Ze waren nu al een tijd weg. We wisten dat ze een klusje opknapten, maar wat dat precies was wist niemand. Het wekte wel ergernis, dat een van ons buiten Frans (van der Wiel) om kon werken.
Van onze koerierster, die altijd even blij en opgewekt met haar zwaar beladen fiets van adres naar adres fietste, hoorden we dat ze nog steeds in de Zaanstreek bivakkeerden. Katja, de koerierster, kreeg een bak watersoep en Cor had een stukje brood voor haar. Ze bleef vriendelijk, ondanks haar honger en vermoeidheid. Wij, Freddie en ik, spraken met Cor over Hannie. Speciaal haar student zijn en haar karakter waren het onderwerp van gesprek. Eerst waren we allemaal wat kritisch geweest over haar nogal deftige uitspraak, haar stille aanwezigheid, haar toch wel scherpe uitvallen als haar iets niet zinde. Maar ik vind haar erg vriendelijk en lief hoor, zei Freddie. Het is een toffe meid en niet op d'r bekkie gevallen, vond Cor, maar ze is net als Henk toch van een ander slag, zal ik maar zeggen. Hij had ergens op zitten kauwen en spuwde het trefzeker in de kolenbak. Kijk, zei hij, ik bedoel, als zo'n meissie nou gepakt wordt, wat blijft dan over van die partizanerigheid.
bldz 98
Weet jij niks van broeder, gooide ik er nogal fel tussenin.
Je moest eens op haar ogen letten, dat zijn ogen van iemand van ons! En ik trok de shag naar me toe en draaide een shagje. Die stomme kleur ook altijd, dacht ik, gek ook, om zo iets te zeggen, en ik boog mijn hoofd. In de korte tijd dat Hannie bij ons was geweest alvorens met Jan eigen werk te doen in opdracht van district Zaanstreek, waren we allemaal erg op haar gesteld geraakt. Zij bleek, net als Henk, toch in onze ploeg te passen. Sterker nog, de discussies waren gedegener, interessanter geworden. Hun bijdrage tot de onderlinge verstandhouding was wel degelijk positief. Henks rake opmerkingen en de woordenwisselingen die daar vaak op volgden maakten ons bewust van onze standpunten. Jan Bonekamp kenden de meesten van ons niet. De keren dat ik hem ontmoette waren op de vingers van een hand te tellen. Een kleine stevige arbeider met een leuke wat brutale kop. Bruin krulhaar, een onverzettelijke kin en een paar harde knuisten. Ik herinner me z'n nogal stevige handdruk bijzonder goed. Ik kon twee dagen niet op de gitaar spelen. . . .
Hij was voor alle commandanten uit de Zaanstreek en Kennemerland een lastige knaap. Bijzonder eigengereid maar ook erg moedig. Wel een knul om mee op pad te gaan, dacht ik. Toch vond ik Hannie en Jan geen ideale combinatie. Die stille Hannie en die overmoedige kordate Jan.
Maar ze zouden zeker spijkers met koppen slaan.
bldz. 99
“Ik ging naar huis”: Wagenweg 24, het huis van Nettie en Mari Andriessen.
Die avond tikte Nettie op mijn kamerdeur. Truus hier is een meisje voor je. Ik had een dutje gedaan en stond slaapdronken in de deuropening. Hé Han, riep ik enthousiast, jij hier, wat machtig. Ik trok haar mijn kamer in. Maar Hannie brak in tranen uit. Ik heb het niet goed gedaan, Jan is gegrepen, snikte ze luid. Stil joh, riep ik geschrokken. Ik haalde een glaasje water voor haar. Ze probeerde te drinken, maar al het water ging door het schokken over haar kleren. Is Jan echt gegrepen, vroeg ik toen? Ik ben weggefietst en Jan is neergeschoten, hoorde ik haar hortend vertellen. Oh nee…! Verder bleef ik sprakeloos. Langzaam herstelde Hannie zich wat. Ik streelde haar haren en hoopte dat ze weer een beetje tot zichzelf zou komen. Je zal me helpen hé, riep ze plotseling, je zal hem uit de handen van de moffen krijgen, ja hé Truus? Ik knikte een beetje stom. Ja, maar hoe? Hannie vertelde alles. Hoe de SD-er Ragut in Zaandam fietste. Eerst had zij geschoten en toen Jan. We hadden afgesproken, dat ik na het schot meteen door zou fietsen en dat deed ik ook, zei ze toonloos, nog nasnikkend.
bldz. 100
Oh, Truus, ze hebben Jan neergeschoten. En ik ben niet teruggegaan om hem te redden. Je kon toch niet weten dat hij gewond was? Morgen gaan we kijken wat we kunnen doen, besliste ik.

Van de verzetsgroep uit de Zaan die een eigen prima inlichtingendienst had, hoorden we dat Jan zwaar gewond als hij was, nog geopereerd zou worden in het Wilhelmina Gasthuis. Ook de groep Zaanstreek overwoog Jan te bevrijden. Die bewuste dag 'schilderden' we zo onopvallend mogelijk in de buurt van het WG. Bij elke beweging, bij elk nieuw ziekenvervoer, waren we er als de kippen bij om maar niets te missen van zijn aankomst. Na lange tijd stopte er een ziekenauto. Er stapten twee zwaarbewapende SS-ers uit en twee broeders droegen een draagbaar naar binnen. Boven de dekens lag de donkere krullenbol van Jan. Op dat vreselijke moment realiseerde ik me, dat we niets, absoluut niets konden doen. Waar moesten we met die zwaargewonde man naar toe, ook als we de twee SS-ers neerschoten en de broeders dwongen de ziekenauto richting Haarlem te rijden. oh Jan, Jan, hoorde ik Hannie fluisteren. Toen de deuren zich sloten, nam ik Hannie met zachte drang mee naar onze fietsen. Tersluiks keek ik om me heen. De kans dat de SD ons in de val had laten lopen was echt niet zo denkbeeldig. Hannie liet haar tranen de vrije loop. Vlugger, vlugger dacht ik. Ik trapte mijn karretje richting Haarlem.
Onderweg op de Amsterdamsestraatweg werden we nog gecontroleerd.
bldz. 101
Hannie had een hoofddoek om, want haar opvallende rode haar moest wel verborgen worden. Je wist maar nooit. We konden doorgaan, want we hadden niets bij ons, vonden ze. Het FN-pistool zat gewoon in onze zak. We gingen samen naar Frans en die bracht de totaal ontredderde en zieke Hannie bij Lien en Harm Elsinga. Enige dagen later hoorde ik dat ze de bof had gekregen. Ze was werkelijk doodziek en bleef maar op haar kamertje, alleen met haar verdriet.
Later, veel later hoorden we hoe Jan Bonekamp aan zijn einde was gekomen. Toen hij na de aanslag, met een buikschot, toch nog probeerde weg te komen, klopte hij aan bij een paar oude dames. Deze waarschuwden de politie! Natuurlijk kwam die snel. De toenmalige politie was meestal fout. De neergeschoten Ragut was een politiechef waar al vele malen een aanslag op was gepleegd door de illegaliteit. Hij was niet alleen berucht in de Zaanstreek. De foute politie waarschuwde onmiddellijk de SD. Deze probeerde Jan te verhoren. Toen hij zweeg hebben ze de volgende nacht een z.g. verzetsverpleegster bij hem gelaten, die hem toefluisterde dat, als er nog wat te waarschuwen viel, zij het wel wilde doen. Jans ruggegraat was ook geraakt, hij was toen al blind en stervende. Hij heeft Hannies naam genoemd, in de veronderstelling dat hij met een betrouwbaar figuur sprak. Hij is onder ondraaglijke pijnen gestorven.

bldz. 102
De SD viel diezelfde morgen de woning van de familie Schaft binnen. Met een grote ploeg volk doorzochten ze de woning.
Hannie woonde al lang niet meer thuis en de onderduikster Philine was terug in Amsterdam. De ouders van Hannie werden gearresteerd en als gijzelaars naar Vught vervoerd, waar ze negen maanden gevangen zaten. Hannies haren werden geverfd, om herkenning te voorkomen. Toen ze zich weer bij de ploeg meldde, was het een heel andere Han dan vroeger. Mager met lelijk dof zwart haar en een wit vertrokken gezicht. Niemand roerde het onderwerp Jan aan. Toen we, onwennig en zonder goed raad te weten met onze houding, de werkbespreking met Frans hielden, vroeg Hannie het onmogelijke te doen. Het gevaarlijkste werk moest voor haar gereserveerd worden. We zwegen allemaal, om het haar niet nog moeilijker te maken. Buiten op straat, op weg naar een van die afschuwelijke “klusjes”, die helaas gebeuren moesten, keek ik even opzij. Ik keek in een verbeten gezicht van een Hannie die ik niet kende. Stap af, kommandeerde ik plotseling, hier komen, hier heb je mijn blaffer! Maak er dan nu vast een eind aan, verdomme, Ik schreeuwde het zomaar midden op straat. Partizanen zijn geen zelfmoordenaars, die denken tenminste nog aan hun kameraden, zonder ze op zo'n zinloze manier aan gevaar bloot te stellen. Verdwaasd stond ze midden op straat met mijn pistool in haar hand. Ach stik, riep ze, ze smeet het pistool op straat en fietste hard weg.
bldz. 103
Snikkend fietste ik haar na en we verzoenden ons in de al kalende Haarlemmerhout. Lang zaten we op een bank naast het bord: “Verboden voor Joden”.

  Monument bij het Kunstcentrum Zaanstad, Westzijde 39. Plaats van de aanslag op Ragut. Foto Anton van Daal 2004    Limmen het huis waarin Jan Bonekemap en Hannie Schaft enige tijd waren ondergedoken. foto Plekker (2004)    Truus Oversteegen en Hannie Schaft vermomd in 1943    Truus en Freddie, verzetsmakkers van Hannie Schaft, in aug 2003, foto Plekker 


Zie ook op Internet een bericht van het Hoekmanfonds in Zaandam Hoekman


  5 mei 1984     Gerrit Jan van der Veen, 1940, foto Vrij Nederland 5 mei 1984

Vrij Nederland special Gerrit van der Veen 

Rond Gerrit van der Veen werden steeds meer mensen opgepakt, veel vrienden uit het kunstenaarsverzet; zij wachten in de gevangenis aan de Weteringschans op de dood. De Weteringschans werd een obsessie voor hem: die mensen moesten eruit voor het te laat was.
In de kerstnacht moest het gebeuren, als de sentimentele Duitsers ziek zijn van heimwee. De benodigde wapens werden vervoerd als kerstpakketjes, versierd met hulst.
Frans Meijer: 'Het plan was dat we met een vrachtauto vol zogenaamde gevangenen naar de gevangenis zouden rijden, daar zou een bewaker ons binnenlaten. Het probleem was dat het een groene auto moest zijn – alle Duitse auto's waren groen. Toevallig zag ik een auto van Verkade rijden: groen, alleen stond die ruiter erop, maar als we de dekzeilen omkeerden zag je daar niets van. Gerrit en ik hebben bij Verkade in Zaandam met valse papieren zo'n vrachtauto gevorderd. Op kerstavond zouden we in de Czaar Peterstraat bij elkaar komen, daar zou die auto ons ophalen. De dag van de overval, wist een vaag bekende koerier me te vertellen, dat die nacht de Weteringschans zou worden overvallen.
We hebben de overval afgelast: er was te veel geklets.' Omdat er geen Duitse reacties kwamen, besloten ze het opnieuw te proberen op oudejaarsavond.
Jan Brasser uit Krommenie was erbij: 'Ik had een seintje gekregen dat ik met Jan Bonekamp naar het einde van de Spuistraat moest komen; er stonden nog meer jongens toen we daar aankwamen – ik kende ze niet. Er kwam ook een persoon die zei dat hij Frits was, kennelijk de leider.' (Dat was Gerrit van der Veen.)
Jan Brasser: 'We gingen naar de Kraijenhoffstraat, het nummer weet ik niet – dat had ik niet te weten. Daar vertelde Van der Veen wat het plan was. Met een grote vrachtauto zouden we – de helft in uniformen van de Sicherheitspolizei, de helft als gevangenen vermomd – naar de Weteringschans rijden: vijf Duitsers die vijf gevangenen kwamen afleveren. Er was een auto en twee jongens die 'm konden rijden. Alie van Berkum had voor de uniformen gezorgd, zij werkte bij stomerij Krom in Alkmaar en had ze daar meegenomen. Alie Hollander bracht ze in de trein naar Amsterdam – als je gepakt werd met een Duits uniform had je niet veel meer in te brengen. Gerrit van der Veen en Jansma gingen de auto ophalen en wij moesten daar wachten tot ze kwamen voorrijden. Alles was tot in de puntjes geregeld.
Ik herinner me de beeldhouwer Johan Limpers, Karel Pekelharing, een danser, Karel Schipper van de Kunstacademie in Den Haag, Paul Guermonprez, die is niet lang daarna gegrepen met een koffer vol bonkaarten op het Centraal Station, Jansma en Jan Bonekamp met wie ik samen was gekomen. Er was ook een Rijksduitser bij, Gerhard Badrian, die het woord zou doen bij de gevangenis. Hij is later verraden en doodgeschoten.
Tegen de tijd dat we dachten dat de auto zou komen voorrijden, kwam bonker-de-bonker – veel te hard – Jansma naar boven en riep dat het mislukt was: de auto was ontdekt door de Duitsers en de twee bestuurders waren opgepakt. Van tevoren had Van der Veen gezegd wat er moest gebeuren als het mislukte: uniformen weggooien en ieder voor zich proberen weg te komen. Die uniformen hebben we over een hek op het stationsemplacement gegooid en samen met Jan Bonekamp ben ik naar het station gelopen, 's ochtends vroeg. Toen we op het perron stonden, liepen daar twee kerels rond te kijken, in van die lange leren jassen. Automatisch gingen we bij een groepje zingende en lallende mensen staan, die kennelijk Oudjaar hadden gevierd. Het is moeilijk te vertellen, maar ik zie 't nog voor me. Even later zagen we die kerels op een ander perron rondloeren.'

Frans Meijer: 'Gerrit wou die auto ombouwen van gas op benzine – om sneller weg te kunnen komen. Hij had twee mecaniciëns gevonden, ik weet niet wie: Frits Boverhuis en ik stonden al een maand iedere nacht achter de pilaren van City tegenover de Weteringschans om te kijken wie en op welke uren de gevangenis in- en uitgingen. En of er honden binnen waren. Het ombouwen in de remise in de Czaar Peterstraat duurde lang en het maakte nogal wat lawaai. Kennelijk hebben omwonenden de politie gebeld.
Toen Badrian daar in zijn Duitse uniform kwam aanfietsen, naderde en een patrouille Duitsers, die “Parole” scheeuwden. Op dat moment kon Badrian niet anders doen dan vuren. De mensen in de remise raakten in paniek en kwamen naar buiten toen het Duitse wachtcommando naar binnen stormde. Gerrit van der Veen en Kobus den Hartogh renden naar de binnenplaats achter de remise, Gerrit is tegen een blinde muur geklommen en is via de daken ontkomen. Kobus heeft een nacht en een ochtend onder een hoop bladeren onder een bakkerskar gelegen. Theun Lammertse, die met z'n handen omhoog tegen de muur stond, heeft zich omgedraaid en een van die Duitsers in zijn buik getrapt en is zo ontkomen. Hans van Gogh is ook ontsnapt, die kwam – levensgevaarlijk – op zijn fiets naar het Kleine Gartmanplantsoen racen, waar wij stonden te wachten, om ons te waarschuwen. Een heldendaad, die Frits en mij het leven heeft gered.
In de loop van de volgende ochtend druppelde wat over was binnen in mijn huis aan de Amsteldijk: Gerrit, Guusje Rübsaam, Boverhuis. Het ergste van alles was dat die arme Kobus niet terug kwam. Wij hadden het gevoel dat we hem misbruikt hadden, hij wist niets van de voorbereidingen, hij had zich beschikbaar gesteld voor alle nodige karweitjes. Op straat wensten de mensen elkaar gelukkig nieuwjaar en wij zaten daar diep in de dalles. Ineens ging de telefoon: Kobus. Ik vergeet 't nooit: hij durfde niet naar binnen omdat we vergeten waren het afgesproken sein op veilig te zetten.'

Jan Brasser: “Niet lang daarna zouden we het weer proberen, ik was weer met Jan Bonekamp en we hadden een afspraak met Ferry van den Ham op het Hekelveld. De treinen naar Amsterdam waren stampvol, ik stond op het balkon. Op het Centraal Station rende ik de trap af, als een van de eersten en daar stonden in die lege tunnel acht of negen man met van die donkere jassen aan en laarzen. Ik zag ze glimmen – en al die gezichten naar met toegekeerd. Ik deed net of we een spelletje hadden gedaan wie het eerst beneden was.
Ons contact kwam niet opdagen, dus was het mis. Die dag is Guermonprez gepakt op het Centraal Station en Limpers en Pekelharing in American.”

27 maart 1943:
Vernieling Bevolkingsregister

W.J.C. Arondéus
K. Groeger
Coos Hartogh
E.S.A. van Musschenbroek
A.C.J. Reitsma
Henri Halberstadt
Dr. Johan Brouwer
Koen Limperg Sjoerd Bakker
C.L. Barentsen
Cornelis Roos

Zij streden en vielen
voor de vrijheid
1 juli 1943

 

Deze 12 medestrijders van Jan Bonekamp en Gerrit van der Veen zijn begraven op de Eerebegraafplaats (in vak nr. 18)
De plaquette is aangebracht in Amsterdam, Plantage Kerklaan 36 (Artis) t.o. het huidige Verzetsmuseum Amsterdam.


De CPN in het Zaanse Verzet, 1975

bldz. 41/42 Jan Brasser vertelt:

Weet je, je maakte soms de gekste dingen mee en je kon ondanks alle spanningen nog wel eens lachen ook. Zo kreeg hier in de Zaan een NSB-burgemeester na een overval op zijn gemeentehuis in Wormerveer de bijnaam Piet Oublie.
We deden die overval in eerste instantie om de ambtenaar van het bevolkingsregister te redden. Die ambtenaar had namelijk verscheidene persoonsbewijzen – pb's noemde je die dingen en je moest je ermee tegenover de Duitsers legitimeren – aan de verzetsbeweging gegeven. Je had natuurlijk ook valse persoonsbewijzen, die werden nagemaakt op een persoonsbewijscentrale, waar Gerrit van der Veen een belangrijke rol in speelde. Maar het watermerk dat zoals ook op bankbiljetten in het pb stond, was niet zo goed.
De fijne kneepjes ervan kwamen niet goed over en daarom was het altijd het veiligste als je een echte had – met een andere naam natuurlijk, maar wel met je eigen foto en met een gemeentestempel.
Die ambtenaar in Wormerveer had de verzetsbeweging pb's gegeven, maar toen de NSB-burgemeester kwam, in 1943, zei die, dat hij een scherpe controle zou instellen. De betrokken ambtenaar wilde onderduiken, maar ik zei tegen zijn contactman: nee, hij vervult daar een belangrijke taak en we zullen het anders doen. We doen een overval, halen alle persoonsbewijzen en het bevolkingsregister weg en dan is alle controle onmogelijk.
Op klaarlichte dag, in juni 1944, zijn we toen het gemeentehuis binnengevallen. Het was een prachtige dag en op de fiets zijn we erheen gereden. Eén man zou komen met een auto om het bevolkingsregister in jute zakken te vervoeren. We hadden zwarte lappen onder onze petten, met alleen gaten voor de ogen.
Met een Zaanse jongen klopte ik op de deur van de burgemeesterskamer, terwijl vier andere jongens de voordeur namen. De actie verliep goed, de man gaf zich over en de ambtenaren, die het allemaal niet erg vonden, moesten in een hoek bijeenstaan.
De burgemeester bonden we handen en benen vast en we deden een stuk leukoplast op zijn mond. Hij bleef zijn koppie echter op en neer bewegen om te kijken wat gebeurde.
Jan Bonekamp, chauffeur van de Hoogovens, pracht vent in het verzet, werd dat teveel. Jan rukte een mat, die was gespijkerd, van de vloer. Hij rolde er de burgemeester in en toen zag je aan de ene kant dat koppie met leukoplast op de lippen en aan de andere kant de bijeengebonden voeten. Hoe het mogelijk is, weet je niet, maar in een mum van tijd na de overval was het bekend en sprak iedereen in de omgeving over de burgemeester als “Piet Oublie”.
We kregen het bevolkingsregister eruit, maar omdat we niet alles konden meenemen, staken we de rest in brand. Ik moet zeggen, de brandweer maakte toen helemaal geen haast om te blussen. Integendeel!



Zet en tegenzet, Fascisme en illegaliteit in de Zaanstreek, 1940 – 1945.
J.J. 't Hoen en J.C. Witte


bldz. 78 (Liquidaties)
Het streven van de bezetter om door het plaatsen van NSB-ers op leidende posten een vaste greep te krijgen op het bestuursapparaat, wordt aan de Zaan in toenemende mate doorkruist door de verzetsbeweging. Op 21 juni 1944 wordt de NSB-commissaris van politie te Zaandam Ragut, bij het gebouw van de Kamer van Koophandel in de Westzijde doodgeschoten door de jonge communist Jan Bonekamp.
De plaats van Ragut wordt ingenomen door inspecteur M. Talma als waarnemend commissaris.

bldz. 97 (Aanslagen)
Op zondagochtend 29 juli 1944 trachtten enkele RVV-mensen bij de marachausseekazerne te Wormerveer een achttal jongemannen te bevrijden die door vier SD-agenten worden opgebracht. Het betreft onderduikers en een paar illegale strijders. In het vuurgevecht dat ontstaat laten een SD-er en de RVV-man van Heyningen, die werd opgebracht, het leven. Twee SD-agenten worden zwaar gewond. De arrestanten zijn echter bevrijd en duiken onder.
De Duitse politie stelt alles in het werk om verzetsmensen te grijpen. Een van haar meest verbeten handlangers, is de Zaandamse politiecommandant W.M. Ragut, die in de herfst 1943 is benoemd tot hoofd van de politie. Hij is gehaat bij de illegaliteit. Ook achter de zeven ontsnapten jaagt hij aan. Dit is de reden dat de RVV het besluit neemt hem te liquideren. De opdracht hiertoe wordt gegeven aan Jan Bonekamp uit IJmuiden, die meer van dergelijke karweitjes – o.a. in Heemstede – heeft opgeknapt.
Kleine Jan, zoals Bonekamp wordt genoemd, bereid zijn aanslag zorgvuldig voor. Tijd en plaats komen na nauwkeurig speurwerk vast te staan. Meestal doet hij dit voorbereidend werk alleen, een enkele keer is hij vergezeld van zijn vriendin Hannie Schaft. Op 21 juni 1944 schiet Jan Bonekamp aan de Zaandamse Westzijde, vlak voor de Kamer van Koophandel, zijn wapen leeg op Ragut. De gehate politiekapitein zakt ineen, maar hij weet met zijn revolver Jan Bonekamp levensgevaarlijk te treffen. Ragut sterft ter plaatse; Kleine Jan overlijdt twee dagen later in het Luftwaffen Lazareth in Amsterdam.

  1943, was getekend W.M.Ragut (privé collectie)  


uit: Haarlems Dagblad – 30 juni 1981
van onze streekredactie

Oud-verzetsmensen voeren aktie:

Stoffelijke resten van Jan Bonekamp horen thuis in Bloemendaal.

Haarlem – Een aantal mensen uit het verzet tegen de Duitsers in de jaren 1940 – 1945 wil dat de urn met de as van de verzetsman Jan Bonekamp een plaatsje krijgt op de Eerebegraafplaats te Bloemendaal. De stoffelijke resten bevinden zich nu in een graf op de Westerbegraafplaats in IJmuiden. Een onwaardige plaats van iemand die zo aktief is geweest in het verzet, zo motiveren de oud-verzetsmenen hun initiatief. Jan Bonekamp hoort thuis op de Eerebegraafplaats voor verzetsmensen. Tot diegenen, namens wie de heer J. Roemersma te Purmerend een verzoek tot plaatsing van de urn heeft ingediend bij het bestuur van de Eerebegraafplaats behoort de heer J. Brasser te Krommenie.
Hij was in de oorlogsjaren in de Zaanstreek eerst commandant van de Raad van Verzet en later hoofd van de Gewestelijke Sabotageafdeling van de Binnenlandse Strijdkrachten. Brasser gaf Bonekamp de opdracht bij de uitvoering waarvan Bonekamp het leven verloor. Ook de verzetsvrouwen Truus en Freddie Oversteegen uit Kennemerland steunen het verzoek. De nabestaanden van Bonekamp stemmen ermee in.
Jan Bonekamp overleed op 21 juni 1944 na een schietpartij in de Westzijde te Zaandam, bij het gebouw van de Kamer van Koophandel. Hij had de opdracht de Zaanse politiecommandant W.M. Ragut dood te schieten, omdat die Ragut een voor de verzetsbeweging gevaarlijke man was geworden; hij maakte met verbetenheid jacht op mensen van de illegaliteit.
Bonekamp die al eerder in Kennemerland medewerkers van de Duitsers uit de weg had geruimd, voerde zijn opdracht in Zaandam samen met Hannie Schaft uit. Hannie Schaft die als eerste schoot op Ragut, kon daarna wegfietsen en via Assendelft haar onderduikadres in Limmen bereiken.
Bonekamp echter werd getroffen door de terugschietende Ragut, ondanks dat die dodelijk gewond was en werd, door dat hij niet meer in staat was zich voldoende van de plaats van de aanslag te verwijderen, gearresteerd.
Kort daarna overleed Bonekamp in een Duits Lazareth te Amsterdam.
Een week na de bevrijding, zaterdag 12 mei 1945, werd in de tuin van de Kamer van Koophandel een monument voor Bonekamp onthuld. Vorig jaar juni (1980) werd er voor Hannie Schaft, die de oorlog evenmin overleefde (zij werd 17 april 1945 doodgeschoten) een gedenkteken naast geplaatst.
Hannie Schaft werd op 27 november 1945 als symbool van het verzet begraven op de toen pas ingerichte Eerebegraafplaats te Bloemendaal. Koningin Wilhelmina, Prinses Juliana en Prins Bernhard waren daarbij aanwezig. Postuum kreeg Hannie Schaft toen een onderscheiding van de Geallieerde Opperbevelhebben Eisenhower.
Na de publiciteit van vorig jaar juni (1980) over Hannie Schaft en Jan Bonekamp is de heer Roemersma te Purmerend gaan uitzoeken waar Bonekamp begraven is. Toen bleek hem dat Bonekamp gecremeerd is en dat de urn zich bevindt in een – naar zijn zeggen – niet zorgvuldig onderhouden graf te IJmuiden. De heer Roemersma vindt dat een niet waardige plaats voor een zo'n aktieve verzetsman als Bonekamp was.
Het ziet er op het ogenblik echter niet naar uit, dat overplaatsing van de urn naar Bloemendaal mogelijk zal zijn. Het bestuur van de Stichting de Eerebegraafplaats te Bloemendaal heeft namelijk al kort voor 1960 besloten, de begraafplaats besloten te verklaren. Een besluit dat het in 1975 heeft bevestigd. Daarom heeft het bestuur het verzoek van Roemersma c.s. afgewezen. Volgens het bestuur was het aan het eind van de jaren 50 soms al moeilijk te beoordelen of iemand, voor wie (her)begrafenis in Bloemendaal wordt gevraagd inderdaad verzetsvrouw (-man) was geweest. Het hield er bovendien rekening mee dat nog gedurende vele jaren verzoeken door nabestaanden zouden kunnen worden ingediend om iemand die in het verzet had gezeten (of zou hebben gezeten) op de Eerebegraafplaats te begraven. Mede om te voorkomen dat twistvragen zouden ontstaan (waarom die wel en die niet) besloot het bestuur de begraafplaats te sluiten. Het heeft nu nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat naar zijn mening de helfhaftigheid van Bonekamp vaststaat (hij behoorde tot de meest aktieven) maar dat het toch niet wil afwijken van de geslotenverklaring. Een uitzondering maken zou namelijk aanleiding kunnen geven tot de discussie die men juist wil voorkomen. Het bestuur wijst er voorts op dat in de periode, toen de begraafplaats open was, nooit door de familie van Bonekamp en/of de illegale groep, waartoe Bonekamp behoorde, is gevraagd om plaatsing van de urn in Bloemendaal. De heer Roemersma is het niet eens met de geslotenverklaring. Hij wil met een handtekeningen-aktie het bestuur alsnog bewegen tot heropening. Men kan briefkaarten, bij voorkeur met de tekst: Wij zijn het eens met het verzoek van 21 oktober 1980 en verzoeken het Eereveld opnieuw voor herbegraving te openen. Sturen naar Postbus, De Rijp.

n.b. Inmiddels weten we van de familie dat het de wens is geweest van Jan Bonekamp, dat, als hem iets zou overkomen, hij begraven wilde worden in het familiegraf in IJmuiden.


IJmuider Courant, 5 mei 1983

Familielid IJmuider verzetsman even in Nederland
Gerard Bonekamp zoekt naar gegevens over zijn neef Jan.

IJmuiden – Op 21 juni 1944 raakte de IJmuidense verzetsman Jan Bonekamp bij een aanslag in Zaandam zwaar gewond. Hij viel in Duitse handen en werd door de bezetters overgebracht naar Amsterdam, waar hij kort daarna overleed.
Hannie Schaft, die in het laatste oorlogsjaar veel met Jan Bonekamp optrok, en ook samen met hem de aanslag pleegde, kon ontkomen.
neef Gerard Bonekamp, foto bij krantenartikelBijna 43 jaar later is de in Canada woonachtige Gerard Bonekamp, een neef van Jan, op zoek naar meer informatie over zijn familielid en diens rol in het verzet. Geen geringe opgave zo blijkt. Want wanneer de naam Bonekamp valt gaat bij velen het slot op de mond. Typisch, een beetje griezelig zelfs, zegt Gerard. Die na een kort bezoek aan Nederland binnenkort terugkeert naar Canada.
Toen de oorlog uitbrak was Gerard een jongentje van zeven jaar. Hij woonde in de J.P.Coenstraat in IJmuiden vanwaar het gezin op last van de Duitsers moest vertrekken. Via de Meerweidenlaan in Velsen-Noord belandde Gerard Bonekamp, wiens vader bij de kunstmestfabriek MEKOG in IJmuiden werkte, aan de Beecksanghlaan in Beverwijk.
Gerards herinneringen van de vijf oorlogsjaren zijn vrij vaag. Veel ging aan hem voorbij. Pas later realiseer je je een beetje wat er allemaal is gebeurd. Mannen die plotseling op de stoep komen, zich razendsnel omkleden en daarna weer de benen nemen. Toen begreep je daar helemaal niets van. Nu weet je dat het verzetsmensen waren, die door mijn ouders van andere kleren werden voorzien. Over het illegale werk van neef Jan en diens medestanders (-sters) werd thuis bijna nooit gesproken. Bovendien, zo vertelt Gerard, was Jan altijd op pad. Niemand wist waar hij uithing, wat hij deed, en wanneer hij terug zou komen. Familieleden kregen hem slechts een enkele keer te zien.

Canada.
Na de oorlog bleef Gerard Bonekamp nog geruime tijd in Nederland om uiteindelijk in 1958 toch zijn biezen te pakken. Samen met zijn vrouw emigreerde hij naar Canada, nadat het onmogelijk was gebleken naar de VS te gaan. Bonekamp vertrok, bouwde net zoals vele duizenden Nederlanders een nieuw bestaan op in het land van de – toen nog – onbegrensde mogelijkheden.
Een bestaan waarin voor de oorlog en alle herinneringen daaraan geen plaats zou zijn. En zo, vervolgt Bonekamp, jarenlang lukte het om de periode 1940 – 1945 vrijwel volledig uit te bannen. Totdat de eerste berichten verschenen over de in Vancouver wonende Nederlander Jacob Luijtjens die volgens oud-verzetsmensen in de oorlog met de Duitsers had samengewerkt.
Een Nederlands verzoek tot uitlevering van de man werd volgens Gerard Bonekamp in verband met in dit verzoek gemaakte 'technische fouten', door Canada afgewezen.
Bonekamp: Die zaak heeft bij veel in Canada wonende Nederlanders het nodige losgemaakt. De oorlog was weer terug, zou je kunnen zeggen. Omdat ik al geruime tijd een Nederlands talige krant uitgeef “De Krant” met een betaalde oplage van 8000 exemplaren, kreeg ik veel reacties van mensen die blijkbaar hun hart wilden luchten. Ik heb er vervolgens na lang aarzelen een artikel aan gewijd. Waar ook weer veel brieven op kwamen. Zoals gezegd: De oorlog was voor velen weer terug. Maar de zaak Luijtjens bleek voor Gerard Bonekamp de druppel die de emmer deed overlopen. Want al jaren daarvoor was de periode 1940 – 1945 in zijn leven teruggekeerd. In 1976 verscheen het boek Hannie Schaft van Ton Kors. Daarin staat ook het een en ander over mijn neef. Vervolgens kwam daar nog eens de film “Het meisje met het rode haar” van Ben Verbong overheen. Ik ben diverse malen in Nederland geweest en werd steeds weer geconfronteerd met de oorlog en vooral met alle verhalen over mijn neef Jan. Dat is voor mij de reden geweest om op pad te gaan in de hoop meer informatie te krijgen over het werk dat Jan en zijn mensen deden.
Laat ik het zo zeggen, ik had heel sterk de indruk dat er meer valt te vertellen over dit alles, dat was mij ondermeer gebleken na gesprekken met oud-verzetsmensen in Canada. En dus ging Bonekamp op zoek.
Vorige week arriveerde hij in Nederland in de hoop een vakantie te kunnen combineren met enig speurwerk. Met daarbij in het achterhoofd de opmerkingen van Nederlandse emigranten uit Canada, velen aktief geweest in het verzet, maar na de oorlog, toen er voor hen blijkbaar geen plaats meer was, teleurgesteld en verbitterd vertrokken.
Bonekamp spreekt van mensen uit de linkse hoek, waarbij diverse malen de naam van de Communistische Partij valt.
Mensen die in de oorlog erg veel goed werk hebben gedaan maar na 1945 niet langer konden worden gebruikt, laat ik het zo maar zeggen. In die groep zat mijn neef Jan, maar ook Hannie Schaft en velen anderen. En de wetenschap dat die mensen niet langer nodig waren, gecombineerd met het vreemde zwijgen van velen, maakt mij toch wat argwanend. Wat is er nou eigenlijk gebeurd, wie waren de echte verzetsmensen en waarom zijn bepaalde zaken in de doofpot gestopt. Vragen waar niet alleen ik maar ook veel Nederlandsers in Canada een antwoord op proberen te vinden, verduidelijkt Gerard Bonekamp.
Merkwaardig en dat er iets niet in de haak is, staat voor hem zonder meer vast. Er zijn Bonekamp de afgelopen decennia te veel merkwaardige dingen overkomen om nog langer te kunnen spreken van een toeval.
Hij zegt daarover: Ik wilde na de oorlog naar Canada, mijn vrouw naar de VS. We kozen voor het laatste, maar kwamen dat land niet in omdat we familie van Jan Bonekamp waren. Als jonge jongen denk je daar op dat moment niet verder over na, je gaat gewoon naar dat andere land, Canada. Maar later komt de twijfel . . .
Nog zo iets: Ik ben nu net een paar dagen terug in Nederland en ga ergens in de buurt in een café wat drinken. We zetten alle drankjes op een rekening en ik geef de barman mijn naam. Komt er even later een oudere man op me af die vraagt: Bent u soms familie van Jan Bonekamp? Ik zeg ja en raak met hem in gesprek. Hij was heel geëmotioneerd en vertelde me van alles en nog wat. Maar toen ik naar zijn naam vroeg, wilde hij die niet zeggen. Dat kon beslist niet . . . .
En ook mensen die tijdens de oorlog veel met Jan Bonekamp samenwerkten voelden er weinig voor diens neef aan nieuwe informatie te helpen. Het zelfde geldt ook voor de familie die, zo zegt Gerard, zwijgt als het graf. Het is allemaal wat vreemd. Je kunt hier erg gezellig over de nieuwe auto of de kapotte wasmachine praten, maar wanneer ik over Jan of de oorlog begin is het afgelopen. Oergezellig, dat wel.
Maar echt eens dieper doorpraten, ho maar.
Small talk verder kom je niet, zegt hij ietwat teleurgesteld. Desondanks hoopt hij toch meer over zijn neef Jan te weten te komen, al erkent Gerard volmondig dat er over deze verzetsman ondermeer in het boek van Ton Kors al heel wat valt te lezen. Maar zo meent hij, er moet nog meer zijn. En juist de vreemde ervaringen het zwijgen van de mensen die hem kenden en de verbittering van de mensen die na de oorlog Nederland verlieten, dwingen hem verder te zoeken. Er is blijkbaar een groep geweest die na 1945 niet meer nodig was in herrijzend Nederland. Velen zijn verbitterd weggegaan. Over degenen die de oorlog niet overleefden wordt meestal gezwegen. Natuurlijk, er staat in Haarlem nu een heel mooi beeld van Hannie Schaft. En in IJmuiden bestaat een Jan Bonekampstraat. Maar dat is wel een heel klein straatje. Toeval? Ik weet het niet. Daarom ben ik juist op zoek.
Verslaggever: Jaap Sluis.

december 2002.  

KRO heldencampagne – Laten we 2002 een nieuw gezicht geven.
Jan Bonekamp en Hannie Schaft staan op de heldenlijst.
U kunt (in 2002!) de posters bestellen via de heldenpagina op de internetsite van de
KRO. Het adres is www.kro.nl u kunt dan doorklikken naar de heldenpagina en
dan komt u vanzelf tegen hoe u de poster kunt bestellen.

 

Jan Bonekamp Hannie Schaft