Johannes Lambertes BONEKAMP 1914 – 1944


Verzamelde gegevens over het verzetswerk van Jan Bonekamp uit: 

 

Ton Kors,
HANNIE SCHAFT, het levensverhaal van een vrouw in verzet tegen de nazi's

bldz 8  (Inleiding)
In het Haarlemse verzet had ze van het begin af aan sterke kontakten met twee andere meisjes, de zusjes Oversteegen. Groot was haar bewondering ook voor de felle Jan Bonekamp, op wie ze verliefd werd. Toen hij bij een gezamenlijke aktie in Zaandam door kogels viel, voelde ze zich lange tijd verloren. Zijn dood maakte haar haat groter; verbetener dan ooit zette ze haar strijd tegen de bezetters voort, vastbesloten om op een of andere manier zijn dood te wreken.

bldz. 9 
In die afschuwelijke periode van de oorlog was het harde noodzaak de handen ineen te slaan en nationaal te denken. In haar manier van denken was daarom geen plaats voor NSB-ers, provocateurs en andere collaborerenden.
Zij beschouwden deze mensen als rotte plekken binnen de maatschappij, die – hoe onprettig ook – op de een of andere manier uitgesneden moesten worden. Vandaar dat zij in Kennemerland zo fel jacht heeft gemaakt op provocateurs. In het begin samen met Jan Bonekamp, van wie zij een groot deel van zijn gedrevenheid, zijn rusteloosheid overnam, en later met de zusjes Freddy en Truus Oversteegen, die haar opvattingen deelden. Met deze twee vrouwen specialiseerde zij zich in dit werk. Deze drie meisjes waren de enige drie vrouwen in Nederland, die dit werk tijdens de bezetting deden.

bldz. 57 (Raad van Verzet)
Uit de Waarheidgroep in Haarlem ontstaat een sabotageploeg, de latere Raad van Verzet, die zich met allerlei vormen van verzet gaat bezighouden, het meest met het gewapende. Het is een kleine groep in het begin. Frans van der Wiel heeft de leiding. Hij gaat omzichtig te werk bij het aantrekken van mensen. Frans van der Wiel is een verbitterde kerel, die de Duitsers haat, iets wil doen en daarbij het avontuur, het spectaculaire niet uit de weg wil gaan. De mannen en vrouwen die hij voor de sabotageploeg aantrekt, moeten daarom ontzettend veel lef en doorzettingsvermogen hebben. Ze moeten in staat zijn de vuilste klusjes op te knappen. Commandant Frans van der Wiel krijgt in die begintijd kontakt met Jan Heusdens, een kleine man uit Rotterdam, die moet onderduiken omdat hij in de Maasstad gezocht wordt door de Duitsers. De twee zusjes Freddy en Truus Oversteegen komen door toedoen van hun moeder bij de groep. Co Rusman, metselaar, is lid en Jan Bonekamp, chauffeur van de Hoogovens. Jo Schaft zal ze allemaal leren kennen wanneer zij zich aansluit.

bldz. 69 (Jan, Truus en Freddy)
De april/mei 1943 stakingen gaan in Haarlem en omgeving niet ongemerkt voorbij. Het meest zichtbaar is het effect bij de grote bedrijven van Van Gelder papier in Velsen en bij Hoogovens, waar de RVV-er Jan Bonekamp zijn kameraden oproept te staken. Voor Jo Schaft zijn de stakingen een extra stimulans om met het verzet kontakt te maken.
bladz 71
In het hoofdkwartie van de RVV-groep aan de Wagenweg leert Hannie Schaft de verschillende leden kennen. Zij krijgt er instrukties en lessen over wapens, niet alleen van commandant Frans van der Wiel, maar ook van de felle Jan Bonekamp. Die heeft Hoogovens definitief verlaten na zijn activiteiten in de april/mei(1943) stakingen. Hij weet dat hij op de lijst van gezochte communisten staat. Jan Bonekamp is een individualist, die overal zijn kontakten heeft en regelmatig verdwijnt, voor kortere of langere tijd, dan terug komt en vraagt of er nog wat te doen is. Voor zijn durf, zijn felheid en zijn ontembare werklust krijgt Hannie Schaft bewondering, misschien zelfs een soort verering. Ze zijn eigenlijk heel verschillende types, Hannie Schaft en Jan Bonekamp. Zij komt uit een klein afstandelijk gezin van gegoede klasse. Ze heeft gestudeerd en is theoretisch intelligent, ze praat wat geaffecteerd en kleed zich koket. Hij is arbeider; een man die altijd met zijn handen heeft gewerkt en de mooie formuleringen van Hannie Schaft niet kan gebruiken. Een kleine stevige vent met een woeste kop krullen en twee alles vernietigende ogen; rauw, soms onbeschaafd, maar goudeerlijk.
bldz 73
Hannie Schaft maakt Truus en Freddy Oversteegen in het ziekenhuis in Twente, waar ze op dat moment werkzaam zijn in de verpleging, duidelijk dat ze hun werk in Twente moeten afmaken en daarna terug naar Haarlem moeten gaan. De groep heeft hen nodig. Op de Wagenweg worden de drie met open armen ontvangen; de groep is weer kompleet. Er is veel te doen, het verzetswerk neemt toe. Er worden berichten doorgegeven over de sterkte van de bezettingsmacht in Kennemerland. Er moeten persoonsbewijzen worden afgegeven voor onderduikers. Die moeten regelmatig naar een ander adres worden gebracht. Er zijn wapens nodig. Wie weet een kontakt dat ze kan leveren? Bestaat de mogelijkheid dat andere RVV-groepen munitie en dynamiet leveren? In die kleine kamer in het huis van de beeldhower (Mari Andriesen)
wordt gesproken over de felle gevechten in Rusland. En het front in Italië waar de geallieerden snel oprukken. Er wordt gesproken over het na-oorlogse Nederland, de Marseillaise wordt er gezongen en de Internationale. Er is hoop.
Hannie Schaft ziet er Witte Ko (Jan Brasser) komen, de man uit Krommenie die de leiding heeft van de Zaandamse RVV-groep. Ze krijgt er kontakt met Freek, Gerben Wagenaar, die vanuit Amsterdam regelmatig overkomt, met nieuws, berichten, soms met wapens. Achterin het bos oefent ze regelmatig met Jan Bonekamp in het schieten. De schoten worden gedempt door het vele groen. Ze leert er de twee andere meisjes Frans, Duits en Engels, maar ze maakt er ook felle verwijtende diskussies mee. Onderwerp van die ruzies is meestal het gedrag van commandant Van der Wiel, die volgens veel leden van de groep te gevaarlijke dingen doet, zinloze ook, waarmee hij teveel met zijn eigen leven en dat van anderen speelt.


bldz. 79 
Hannie Schaft doet samen met Jan Bonekamp, Jan Brasser uit Krommenie en een vierde RVV-er aan haar eerste grote aktie mee. Er wordt een poging gedaan om de electriciteitscentrale van het PEN in Velsen-Noord onklaar te maken. In de stikdonkere nacht van de 27e november 1943 fietsen ze naar het complex. Ze weten dat er niet al te veel bewaking is.
Jan Brasser: We zijn binnengekomen via de binnenhaven van Hoogovens en daar over een hek geklommen. Het was de bedoeling het transportsysteem te vernietigen, zodat de ketel geen kolen meer aangevoerd kreeg. En daarvoor hebben Jan en ik – Hannie en die ander stonden op de uitkijk en zouden fluiten zo gauw er maar onraad was – zouden springladingen plaatsen bij de twee Jacobsladders die de kolen naar boven transporteerden.
We werkten toen met een heel primitief ontstekingssysteem. We hadden nog niet de perfekte ontstekingen van de Engelsen, die later gedropt werden. Met behulp van een student was er een systeem ontwikkeld, dat als volgt werkte. Je nam twee gelijke delen poedersuiker en waterstofperoxyde waarop je een heel klein beetje zwavelzuur liet vallen. Dat gaf een steekvlam genoeg om een smeullont te laten ontvlammen die dan de rest van de lading met eerst het slaghoedje zou laten ontploffen. Het was natuurlijk de kunst om te zorgen, dat je ver uit de buurt was als de boel zou springen. Daarom lieten we dat zwavelzuur zich eerst door een paar laagjes cellofaan heenvreten waaronder dat mengseltje lag. Het was wat primitief en je moest het heel goed uitmikken maar het werkte. Jan en ik hebben heel sekuur die rommel in orde gemaakt. We zijn toen als een gek weggereden om zover mogelijk uit de buurt te zijn. Ik zou toen slapen bij een oud-kollega van me die bij Hoogovens werkte en dicht bij de Centrale een huisje had. Ik was nog niet binnen en stond nog maar net voor het raam toen ik wat zag oplichten en een doffe knal hoorde. De tweede lading heeft het nooit gedaan. Ik denk dat die eerste knal de rest onschadelijk heeft gemaakt. Er was maar een transportsysteem beschadigd, dus alleen de aanvoer van de kolen naar de stookplaats liep vertraging op. Toch geloof ik wel dat het zin heeft gehad, omdat die aanslag de bevolking een opkikker gaf en de mensen liet weten dat er nog zo iets als verzet was.

bldz 82 
Hannie Schaft merkt dat Jan Bonekamp niet te stuiten is. Na de aanslag bij de Centrale verdwijnt hij weer, zonder te zeggen waarheen. Later blijkt dat hij naar Beverwijk is gegaan en daar een mogelijkheid zoekt om in opdracht van verzetsgroepen van die stad en uit de Zaan een zekere Hans van de Berg te liquideren. Deze Van de Berg heeft als fanatiek controleur van persoonsbewijzen in treinen al heel wat reizigers opgepakt, van wie de papieren niet in orde waren. Het verzet weet dat Van de Berg meer slachtoffers zal maken als hij niet gestopt wordt. En dat gebeurt door Jan Bonekamp die hem neerschiet.
Maar de Sicherheitspolizei Amsterdam, gevestigd in de Euterpestraat, wil deze aanslag niet ongemerkt voorbij laten gaan. Op 1 december worden als antwoord zonder slag of stoot de directeur en de boekhouder van het Gerechtelijk Arbeidsbureau in Beverwijk, B.W. Pauw en L.B. Verdoorn in hun Heemsteedse woningen neergeschoten. Beide mannen waren de directe chefs van Van de Berg. Terreur moet met terreur beantwoord worden, vinden de Duitsers, er ze gaan daarbij op dezelfde heimelijke manier te werk als het verzet.

bldz 85  (Dood van Jan Bonekamp)
In IJmuiden is men sinds eind 1942 al begonnen met het evacueren van het oudste gedeelte van de vissersplaats. De Duitsers willen een ruim schootsveld voor hun kanonnen hebben op het havengebied, het Noordzeekanaal en het sluizenkomplex. Rekening houdend met een invasie bouwen de Duitsers zware verdedigingswerken in IJmuiden. Het havengebied is direkt vanaf het begin van de oorlog tot verboden gebied verklaart evenals de pieren en de sluizen. IJmuiden heeft ook al bunkers en een speciale overdekte duibootbasis waarin de boten kunnen in- en uitvaren. De burgemeester van Velsen, Tjeerd van der Weide, hij volgde na de Februari-staking de afgezette burgemeester M.M. Kwint op – houdt zich persoonlijk met de evacuatie en sloopprobleem van IJmuiden bezig. Hij is er bijzonder trots op dat hij door de Duitsers persoonlijk verantwoordelijk is gesteld voor een vlotte afwikkeling en regelt zelf alle kontakten met aannemers die het vuile werk willen doen, voor veel geld uiteraard. Hij doet zaken met het aannemersbedrijf Christiaansen dat tot volle tevredenheid van Van der Weide en van de Duitsers door de jaren heen duizenden woningen sloopt.
De bewoners die gedwongen worden te evacueren moeten maar zorgen dat ze onderdak krijgen in Santpoort, Haarlem-Noord of in het verre Friesland. De Gemeente is desnoods bereid de verhuiskosten te betalen. Treinen vol slopers komen dagelijks vanuit Amsterdam naar IJmuiden, waar steeds meer straten met de grond worden gelijk gemaakt. Voor dit gebeurt worden de woningen leeggeplunderd, want niet iedereen kan zijn spullen meenemen. De RVV-er Jan Bonekamp, die uit IJmuiden komt, raakt door wat hij ziet verbetener dan ooit.
bldz 91 
Hannie Schaft trekt in het voorjaar van 1944 steeds meer op met Jan Bonekamp. De Ijmuidenaar, die nog dikwijls individuale akties onderneemt gaat haar steeds meer waarderen. Ze blijkt even onverzettelijk te zijn als hij, even fanatiek en even rusteloos. Jan Bonekamp legt in de maanden april/mei een enorme activiteit aan de dag. In Krommenie neemt hij deel aan een overval op het stadhuis, die half mislukt. Maar de groep waarin veel Alkmaarders zitten, ziet wel kans een groot aantal persoonsbewijzen buit te maken. In Krommenie schiet hij de Hollandse SS-er Kuiper neer, die door verraad veel slachtoffers heeft gemaakt. De beruchte Musman wordt in Alkmaar neergelegd. Samen met Henk Pools (“we waren in die tijd net beesten, vooral als we hoorden dat er weer een kameraad was gepakt”) schiet hij in Velsen-Noord op de Wijkerstraatweg op Ko Langendijk, de succesvolle kapper uit IJmuiden die voor de Sicherheitsdienst is gaan werken en al tientallen slachtoffers heeft aangegeven. Hannie Schaft zal later ook op hem schieten. Ook in Velsen-Noord, vlak bij de pont, in het zicht van de Duitse Ortscommandantur schiet hij samen met Jan Brasser uit Krommenie de beruchte inspecteur Ritman neer. Dagenlang is er op de man geloerd. Omstanders maken na de aanslag dat ze uit de buurt komen om niet door de Duitsers gehoord te worden. De volgende dag worden overal in die buurt grote plakkaten opgehangen met de mededeling dat een ieder die bijzondere inlichtingen achterhoudt, bij ontdekking veroordeeld kan worden. In diezelfde maand april sneuvelde de Beverwijker Van Soelen, die wel heel valse methodes heeft om zich in het verzet te dringen. De man doet zich voor als illegaal werker. Hij collecteert voor het verzet en wint daardoor inlichtingen in. Zo komt hij in kontakt met Aat Kater, die ondergedoken zit en naar het Oosten wil uitwijken. Van Soelen belooft de man te helpen en brengt hem weg naar Deventer. Daar wordt in de Stations restauratie na de treinreis koffie gedronken. De Sicherheitspolizei is er ook en rekent het verraden slachtoffer in. Van Soelen brengt ook Joden aan, die hij eerst een revolver in handen speelt, zodat hij een hogere premie krijgt. Jan Bonekamp, die bekend staat als een bekwame en snelle schutter, neemt de opdracht om Van Soelen neer te schieten aan van een Beverwijkse verzetsgroep. Ook Witte Ko, Jan Brasser uit Krommenie, weet van deze zaak af. Van Soelen wordt gevolgd en krijgt de volle laag op de hoek van de Groenelaan en de Zeeweg. Meer dood dan levend wordt hij hotel Parkzicht binnengebracht. De Beverwijkse chirurg Dr. L.J. Büller onderzoekt de man, maar ziet dat het slachtoffer niet meer te redden is. Die constatering moet Dr. Büller met de dood bekopen. De Silbertanne-organisatie komt in aktie in opdracht van Willy Lages. De Duitsers verwijten Büller dat hij Van Soelen in feite op de operatietafel heeft laten sneuvelen. De chirurg wordt van tevoren gewaarschuwd omdat de wraakplannen uitlekken. Maar Büller vindt dat hij in huis beschikbaar moet blijven om naar het ziekenhuis te kunnen gaan als het nodig is. Op de avond van de 9
e april wordt er laat bij hem aangebeld. Als een stem voor de deur zegt dat zijn hulp nodig is, schiet de arts een jas aan en snelt naar buiten. Er klinken schoten en Dr. Büller, het zoveelste slachtoffer van de Silbertanners, zakt stervend op zijn stoep ineen.


bldz 94 
Jan Bonekamp gaat door, onvermoeibaar, wel of geen represailles. Dikwijls keert hij na zo'n schietpartij terug naar Haarlem, en zegt dan grimmig: weer eentje minder. Of: weer honderd mensen gered.
Op een zaterdag schiet hij in Beverwijk de NSB-groepsleider S.J. de Graaff neer. Hij pleegt daarna sabotage aan de spoorlijk Beverwijk-Alkmaar. Al eerder heeft hij deelgenomen aan een poging om een acetyleen- en zuurstoffabriek in Amsterdam lam te leggen, waarvan veel metaalverwerkende bedrijven afhankelijk zijn. De poging is echter mislukt. Verder zit hij in een groep die een overval pleegt op het stadhuis in Wormerveer. En hij onderneemt met vele anderen, onder wie Gerrit van der Veen, de beroemd geworden overval op de Weteringschans om een aantal kameraden uit de cel te bevrijden. De overval mislukt, Van der Veen wordt zwaar gewond, maar ziet toch nog kans met behulp van zijn verzetsvrienden weg te komen. Later zullen Gerrit van der Veen en verschillende anderen uit die groep terechtgesteld worden. Het is niet bekend of Jan Bonekamp in die tijd Hannie Schaft bij zijn aanslagen betrekt. Wel is hij met haar regelmatig te vinden in het huis van Wim Vink, een Beverwijkse politieman.
Wim Vink: Jan Bonekamp kende ik al van voor de oorlog. Ik geloof dat we een beetje aan elkaar gewaagd waren. Ik vond het een prima vent. Als hij weer wat uitgevreten had, kwam hij bij mij om te vragen wat er uitgelekt was. De Duitsers stelde natuurlijk na al die aanslagen onderzoeken in, waarbij getuigen werden gezocht, die een signalement konden geven. Er zaten genoeg betrouwbare politiemensen in Beverwijk, die gegevens probeerden achter te houden, maar er liepen er ook genoeg rond die wel fanatiek aan het werk gingen voor die moffen. Zodat er toch in sommige processen verbaal wel eens juiste gegevens stond. Daar viel niet aan te ontkomen. Veel van die gegevens kwamen op de telex terecht en ik las al die berichten terug. Jan kwam mij dan vragen wat er officieel bekend was. Ik vertelde hem dan bijvoorbeeld dat er een vent was gesignaleerd bij die en die aanslag en dat die vent gezien was met een overall aan. Dan wist Jan dat hij bij zijn volgende zaak geen overall moest dragen. Hannie Schaft was dikwijls bij hem, maar die zei nooit veel. Jan voerde altijd het woord. Ik weet wel dat ze opvallend mooi rood haar had. En later kon ik soms herkennen dat zij aan het werk was geweest omdat dan op de telex berichten doorkwamen dat bij een aanslag of een poging tot sabotage een vrouw betrokken was geweest met lang rood haar.
Veel opdrachten tot liquidatie krijgt Jan Bonekamp van de Zaanse RVV-commandant Jan Brasser: In het verzet hebben we zoveel mogelijk geprobeerd wanneer er ernstige verdenkingen waren tegen iemand, eerst een onderzoek in te stellen, voordat we beslissingen namen. Veel van dat onderzoek is bijvoorbeeld in Beverwijk gedaan door betrouwbare politiemensen. Die konden dat wat gemakkelijker en legaler doen dan wij. We kwamen dan vaak met een paar jongens bij elkaar om resultaten van zo'n onderzoek te bespreken. Daarbij werd altijd de vraag gesteld of het nodig was de betreffende man te liquideren. Maar als we heel duidelijk bewezen achtten dat de man slachtoffers gemaakt had en daarmee zou doorgaan was het snel een bekeken zaak.
bldz 96 
Jan werd voor het werk gevraagd omdat hij durf had, snel was en trefzeker schoot. Jan was fanatiek. Ik kwam hem wel eens tegen en dan riep hij al vanuit de verte tegen me: Heb je nog wat te doen? Rusten wilde hij niet. Als je me niets te doen geeft ga ik zelf, zei hij dan. En ik moest zeggen dat Jan Bonekamp regelmatig verdween en dan zelf zijn onderzoeken instelde en neerschoot wanneer het voor hem een duidelijke en dus rechtvaardige zaak was.
Met Hannie Schaft probeert Jan Bonekamp de SD-provocateur Peter Vosveld op te zoeken. Van deze man is bekend, dat hij verschillende communisten uit de illegale CPN heeft aangegeven. Maar de verrader is gevlucht en niemand kan hem vinden. Jan Bonekamp en Hannie Schaft vinden toch een spoor en trekken naar De Bilt waar Vosveld zich vermoedelijk verborgen houdt. Daar in De Bilt komen ze door een toeval Gerben Wagenaar tegen.
Gerben Wagenaar: “Ik was van Zeist naar De Bilt gereisd omdat ik daar moest zijn. En daar kwam ik heel toevallig in een van de lanen Hannie en Jan tegen, die vertelden dat ze een paar dagen daar in de buurt hadden rondgezworven om Vosveld te vinden. Ze vertelden dat ze hem hadden gelokaliseerd in een bepaald huis. Ze waren van plan om de volgende morgen aan te bellen om hem neer te schieten. Ik heb ze toen het advies gegeven onmiddellijk van de straat te verdwijnen omdat je in dat soort kleine dorpen dikwijls heel gauw in de gaten loopt. Ze hadden een adres waar ze konden slapen. Later heb ik gehoord, dat ze inderdaad die morgen naar het betreffende huis zijn gelopen en daar hebben aangebeld, de pistolen schietklaar in hun zakken. Maar de vogel was gevlogen. Hij was een uur tevoren naar een onbekend adres in Friesland vertrokken.
bldz. 97
Na de oorlog is Vosveld gearresteerd en veroordeeld. Ik geloof dat hij later een andere naam heeft gekregen.”
De Raad van Verzet krijgt uit allerlei inlichtingen de indruk dat spoedig in West-Europa een invasie kan volgen. In overleg met de top wordt besloten wapens en munitie, verborgen op verschillende plaatsen in Noord-Holland, naar Limmen te brengen, waar Jan Bonekamp een onderduikadres heeft, ze dan vervolgens te verdelen en verder te transporteren. Mocht zich een invasie voordoen, dan kan de sabotageploeg vijandelijk troepen- en materiaalvervoer stagneren door spoorbanen en bruggen op te blazen. Jan Brasser, Hannie Schaft, Jan Bonekamp en een vierde zullen een wapendepot uit een van de Zaanse dorpen met de fiets overbrengen.
Jan Brasser: “In die tijd waren er dikwijls controles en we hadden besloten de kleine polderweggetjes te nemen om zoveel mogelijk risico uit te bannen. De tocht ging via het pontje van West-Knollendam, een gevaarlijk obstakel, naar West-Grafdijk, waar een vlotbrug was en dan over de Zuid Ringdijk van de Schermer. Het ging allemaal uitstekend en het zonnige weer zorgde er alleen maar voor, dat we plezier hadden. Bij Akersloot moesten we het pontveer nemen om langs het Noord-Hollandskanaal verder te rijden. Ik hoor Jan nog roepen: Die pontwachter daar is oké. We draaien de bocht van de dijk om en zagen midden op de weg vier Duitsers staan te controleren. Er werd goed gevloekt, maar wat moesten we? Als we zouden stoppen of omkeren liepen we onmiddellijk in de gaten, dus doorrijden met de pistolen schietklaar in je zak. We moesten het gewoon proberen.
Nu, we werden aangehouden. Of we maar eventjes de persoonsbewijzen wilden laten zien. Dat kon natuurlijk en ik zag ze kijken naar die tassen.
bldz 98
Maar we bleven doodkalm en Hannie maakte zelfs nog een grapje. We mochten doorrijden, maar terwijl we de resterende tien meter naar de pont liepen hielden we er rekening mee een nieuw “halt” te horen. Het gebeurde gelukkig niet.
We stonden nog maar niet op dat pontje, toen Jan zei: Jammer, bijna waren er vier nazi's minder op de wereld geweest. Maar Hannie zag ondertussen een Wehrmachtwagentje aankomen met vier officieren, dus we zaten opnieuw in zak en as. Die kerels in dat autootje gingen de controle gelukkig niet overdoen, zodat we veilig met alle wapens en munitie, vier stellen fietstassen vol, in Limmen konden aankomen.”
Er komt die dagen een grote invasie met ongelofelijk veel troepen en materieel aan de kust van Normandië. 6 juni 1944, een historische dag. Er is vreugde en iedereen denkt dat de oorlog wel eens snel voorbij kan zijn, want de eerste berichten die de BBC en Radio Oranje uitzenden spreken weliswaar over grote verliezen, maar ook over snelle vorderingen in dat verre Frankrijk. Er komt geen order om sabotage te plegen of andere akties te ondernemen. Daarom gaan Jan Bonekamp en Hannie Schaft door met het werk, waar ze de laatste dagen intensief mee bezig zijn geweest. Ze hebben het voorzien op de banketbakker Piet Faber, het hoofd van een beruchte Haarlemse familie. Twee zoons van hem doen dienst als SS-ers en staan bekend om hun verraderspraktijken. De man zelf heeft ook het een en ander op zijn geweten. Jan Bonekamp opereert vanuit de woning van poelier Cor Koelman in de Kleine Houtstraat. Daar komt ook Hannie. In het bijzijn van het echtpaar wordt nooit over het verzetswerk gesproken. Ze weten dat de oude Faber zo bang voor het verzet is, dat hij niet meer op de Wagenweg durft te slapen. Daarom heeft hij een huis gehuurd aan de Jan Tooropkade in Heemstede, waar hij na zijn werk heenfietst. Op de 8e juni wachten ze hem daar op.
bldz 99
Er is een getuige, de tien-jarige Lex Leffelaar, die daar ook op de kade woont: “Ik was daar gras aan het snijden, toen een jongen en een meisje, gearmd op de fiets, voorbij kwamen. Opeens een knal. Ik schrok ontzettend en voordat ik besefte wat er gebeurde zag ik die meneer Faber van zijn fiets vallen.”
Zijn vader: “We hebben Lex onmiddellijk in huis gehaald. De Duitsers waren er snel bij en gingen onmiddellijk de buurt af voor getuigenverklaringen. Ik weet nog goed, dat na die aanslag een mevrouw, die Joodse onderduikers in huis had, een oranje kussentje onder Faber zijn hoofd schoof. Het tragikomische was dat die onderduikers dit kussentje hadden gemaakt en dat die NSB-er het mocht gebruiken.”
Het slachtoffer wordt naar de Maria Stichting gebracht en sterft enkele dagen later. De Haarlemsche Courant schrijft een fel hoofdartikel over de aanslag onder de kop “Verwildering”. Enkele citaten: “Men moge de lafhartigheid van den moord op een weerloos mensch in het licht stellen en gruwen bij de gedachten dat het hier een vrouw is, die zich vergrijpt aan het leven, het leven, tot de voortbrenging waarvan God de vrouw roept. Is ons volk zijn bezinning zoo zeer kwijtgeraakt in de onrust dezer tijden, dat zij tot deze verwildering vervallen moest? Moet het op zichzelf toch menschelijke verschijnsel van uiteenlopende waardering inderdaad leiden tot een haat, die – ik heb het de laatste weken moeten bemerken – tot over het graf reikt? Is het streven naar een ideaal, in het verlangen naar een nieuwe wereld dan een misdaad, die den dood verdient en hangt voortaan het leven van een eerlijk man aan den revolverloop van den eersten besten dwaas? Het is een vruchtbare tijd voor den haat en den leugen. Zij doen velen van ons vergeten dat de tijd zeer aanstaande zou kunnen zijn dat in gemeenschappelijken doodsnood NSB-ers en niet NSB-ers op elkanders bijstand zouden zijn aangewezen. Dan zal, ik weet dit zeker, de NSB-er de vervolgingen hem aangedaan, vergeten en slechts bedenken, dat zijn hulp wordt gevraagd. Dat zou hij, dien wij straks zullen begraven onder het zwart rood van de vlag, die zoo dikwijls uit zijn woning wapperde, zeker hebben gedaan en zoo is er bij al den weemoed, die ook deze dag ons brengt het vertrouwen, dat de kogel van den desperado misschien den mensch nooit het ideaal zal treffen.”

Na de aanslag is Jan Bonekamp onmiddellijk doorgereden naar de Zaan om kontakt te maken met de Raad van Verzet daar. Jan Brasser: “Ik reed net bij de brug over de Nauernasche Vaart toen Jan me hijgend achterop kwam. Hij had zijn zware jas weer aan die hij zomer en winter droeg, omdat hij daar zo gemakkelijk zijn pistool in kwijt kon. Jan riep tegen me: Die hebben we gehad, Faber! En hij vroeg onmiddellijk: wie is de volgende? Ik zei hem toen dat ie's wat kalmer aan moest doen en dat het beter voor hem was dat hij een tijdje verdween. Ik zei hem, dat hij de laatste tijd al veel te veel gedaan had. Jan was het daar helemaal niet mee eens en vroeg of we niet onmmiddellijk een bespreking konden arrangeren. Er stonden er meer op de nominatie om geliquideerd te worden, vond hij. Ik merkte wel dat hij niet te houden was en dat hij zelf op zoek zou gaan als ik weigerde. Dus vroeg ik hem of hij de volgende dag naar een café kon komen tegenover het station in Zaandam. Daar zou ik hem dan vertellen wat de bedoeling was. Jan stemde daarmee in en hij vroeg of het goed was dat hij Hannie Schaft mee zou nemen. Met haar had hij al meer werk gedaan. Ik drong er nog een keer op aan, dat hij het kalmer aan moest doen. We hoeven ze na de oorlog niet allemaal te gedenken, zei ik tegen hem. Maar hij wilde persé aan het werk blijven. Jan was een enorm geladen vent. Hij kwam vaak in IJmuiden en als hij daar zag hoe zijn eigen plaats gesloopt werd of als hij gepraat had met de vrouwen van wie de mannen gearresteerd waren, dan kwam hij ontzettend emotioneel terug. Hij kon niet stoppen.”

Dat zelfde beeld schetsen Jan en Trijntje Bult uit Limmen, die daar een klein tuindersbedrijf hebben. Jan Bonekamp is bij hen regelmatig te vinden, soms voor lange tijd, soms voor een nacht. Het huis is trouwens toch een doorgangshuis voor onderduikers en een ontmoetingscentrum voor verzetsmensen die er vergaderen. Ook Hannie Schaft komt er regelmatig. Zij heeft er al een tijdje een vaste slaapplaats.
Trijntje Bult: “Voor zover ik het begrepen heb, was het Hannie te heet onder de voeten geworden in Haarlem en was het beter dat ze daar een tijdje verdween. Jan zat toen al lang bij ons. Die hielp ons dagen in de tuin en dan was hij weer verdwenen. Vragen deden we nooit wat. Hannie en Jan trokken ontzettend veel met elkaar op. Ze gingen samen weg op verkenning, met de trein of op de fiets. Hij perfectioneerde haar schieten in het duin. En ze deden van allerlei werk. Ik heb Hannie hier nog eens vandaan zien gaan met een gordel revolvers onder haar jas. Ik dacht nog: Kind wat neem je een risico, hoe durf je het! Het was een heel eenvoudig meisje dat zich erg gemakkelijk aanpaste.
bldz 102
Ze was blij ook. Ik vroeg haar wel eens onder het eten, als ik wist dat ze met Jan iemand had neergeschoten, hoe ze daar nou zo rustig kon zitten. En dan zei ze: Als wij het niet doen, lopen er nog meer mensen gevaar verraden te worden. Het moet gebeuren. Bij elkaar is ze hier een maand in huis geweest, vier weken dat ze hier dus elke dag sliep en dikwijls meeat. Ze was erg lief voor onze drie kinderen en als het kon hielp ze een handje mee in de huishouding.
Maar daar had ze geen kaas van gegeten. Ze heeft wel een aardappelen voor me geschild, maar wat daar van overbleef. . . .
Jan was heel anders. Kort aangebonden soms, altijd overal op af willen vliegen. Hij kreeg hier vaak op zijn donder van Jan Brasser als hij weer eens zonder voorkennis op zijn eigen houtje iets had uitgehaald. Hij maakte nog eens mee dat een politieman langs kwam, die zei dat mijn man mee moest voor onderzoek omdat hij asperges had verkocht. Jan hoorde dat en zei onmiddellijk tegen mij: Wat moet die vent hier. Als ie wat wil schiet ik. En dan spitten we hier wel een gat in de tuin. Mijn man bleef daarna wat lang weg en Jan stond al te popelen om een paar kameraden op te trommelen, want dan zouden ze Jan Bult wel even terughalen. Dat is gelukkig niet nodig geweest. Ik geloof wel dat Hannie veel van die houding heeft overgenomen. Dat kan ook niet anders als je zo intensief met elkaar samenwerkt. . .
Verliefd? Ik weet het niet. Ik heb er wel eens met Theun de Vries over gepraat, toen die zijn boek schreef. Ik zag het niet, maar het kan best. Ze sliepen boven. Ik had daar twee kamertjes en ieder had er een. Ik heb wel eens aan Jan Bonekamp gevraagd wat zijn vrouw er nou van vond dat hij altijd maar van huis was.
bldz 103
Hij was getrouwd en had, geloof ik, een dochtertje. Dat zal ze maar moeten nemen, zei hij. Ik heb het wel eens aan haar voorgesteld: Vecht met me mee, maar dat kon ze niet. En ik wil niet werkloos blijven wachten.”
Jan Bonekamp en Hannie Schaft zijn op de afgesproken dag en tijd in het café in Zaandam. Jan Brasser vertelt dat het de bedoeling is, om de Zaanse politiekapitein Ragut te elimineren. Een verzetsgroep uit Amsterdam heeft doorgegeven dat de man bij de Sicherheitspolizei in de Euterpestraat op de loonlijst staat. En verder onderzoek heeft uitgewezen dat Ragut talloze mensen heeft aangebracht en daarvoor dikke premies in ontvangst genomen. Brasser vertelt, dat Ragut een gevaarlijk man is. De politieman weet dat er op hem geloerd wordt. Overal heeft hij laten weten dat hij bij een schietpartij niet als enig slachtoffer zal vallen. Jan Brasser: “Ik zei tegen Jan dat Ragut waarschijnlijk twee pistolen op zak had die hij bij het minste of geringste zou gebruiken. Ik heb ze gewaarschuwd dat ze erg goed moesten oppassen.” Die twee beginnen met een verkenningstocht door Zaandam. Ze bekijken vluchtroutes, winnen inlichtingen in over de man, zien hem verschillende keren rijden en zetten binnen een paar dagen een aanvalsplan op. Tijdens hun voorbereidingen horen ze van Jan Brasser dat hun kameraden, die gepakt zijn bij de overval op de Weteringschans, op 12 juni 1944 terechtgesteld zijn. Gerrit Jan van der Veen was daar ook bij. Niet alleen de twee in Limmen, maar het hele verzet is er kapot van. Verbetener dan ooit gaan de twee verder. Op de ochtend van de 21
e juni 1944 vertrekken ze vroeg uit het huis van Jan en Trijntje Bult.
bldz 104
Trijntje Bult: “Het was een schitterende morgen, de zon scheen en ze gingen vrolijk op pad. Tot over een paar uur, riep Hannie nog.”
In Zaandam gaat het mis. Goed mis. Op de Westzijde, vlak bij de Bootenmakersstraat, wordt Ragut door het tweetal opgewacht. Juist op het moment dat een formatie bommenwerpers overvliegt horen voorbijgangers schoten. Het is Hannie Schaft die het eerst schiet en pijlsnel weg rijdt. Ragut is van zijn fiets gevallen en ligt op straat. Jan Bonekamp vertrouwt het niet en komt dichterbij om het genadeschot te geven. Dan richt Ragut zich op. Beiden schieten tegelijk. Ragut sterft, maar hij heeft kans gezien Jan Bonekamp levensgevaarlijk in de buik te schieten. Op de Westzijde is paniek. Omstanders dachten eerst dat de bommenwerpers schoten. Ze hebben Ragut zien vallen en zijn daarna getuigen van de tweede schietpartij. Velen stuiven weg. Jan Bonekamp is inmiddels een paar honderd meter weggestrompeld. Hij komt in een steeg terecht en schuifelt door een nauwe poort bij een klein huisje naast een bloemenzaak. In dat huis wonen twee oude dametjes, die tot hun grote schrik een onbekende man via de achterdeur binnen zien komen die bloedend op de keukenvloer in elkaar zakt. Eerst gooit de man nog een grote revolver op de keukentafel. De dametjes weten van niets. Een van hen rent de straat op en komt daar een politieman tegen die ze kent, adjudant Van der Schaaf, die gaat mee, vindt Bonekamp in de keuken, ziet de revolver en moffelt het ding weg. Maar ook hij weet van niets en laat de man overbrengen naar het politiebureau dichtbij, waarin een eerste hulppost is. Jan Bonekamp wordt daar geholpen door twee artsen, maar die zien al gauw dat hij geen enkele overlevingskans heeft. Een collaborerende politieman hoort van de aanslag en waarschuwt de Sicherheitsdienst.
bldz 105
Daarmee is het voor Jan Bonekamp helemaal bekeken.
Hannie Schaft weet van dit alles niets. Ze is weggereden, precies volgens plan, en wacht een paar kilometer verder op de afgesproken plaats. Jan Bonekamp komt maar niet opdagen en ze rijdt verder, dodelijk ongerust, langs verschillende kotaktadressen in de Zaan en dan naar Limmen.
Trijntje Bult: “Ik zag haar in de verte aankomen. Ze fietste heel hard. En van ver riep ze al of Jan er nog niet was. O God, dan is er vast wat mis, zie ze. Toen ik vertelde dat ik Jan niet had gezien. En weg was ze weer.”
Als een gek rijdt ze verder. Langs moeder Broerse aan de Lange Heit in Krommenie, bij wie ze wel eens kwam. Langs de weduwe van de uitleenbibliotheek aan het Vlietseind van Krommenie, een ander kontaktadres. Niemand weet iets, niemand heeft iets gehoord. Toevallig komt ze Jan Brasser tegen, die onmiddellijk naar Zaandam rijdt om te kijken. Hannie Schaft moet van hem onmiddellijk terug gaan naar Limmen en daar wachten.
Jan Brasser: “Een paar uur later ben ik naar haar toegegaan en heb ik het hele verhaal verteld. Ze was gebroken. Ze wilde het eerst niet geloven. Daarna heeft ze ontzettend gehuild. Ik vertelde haar, dat ze plannen hadden om Jan per ambulance over te brengen naar het Luftwaffen Lazareth bij het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis. Bij de Bultjes moest ze onmiddellijk vandaan, diezelfde middag nog en toen is ze naar Haarlem getrokken.”
Daar slaat Hannie alarm bij de RVV. Met Truus Oversteegen gaat het in dolle vaart naar Amsterdam war ze misschien nog iets kunnen doen. Bij het Lazareth zien ze hoe een zwaar bewaakte Jan Bonekamp op een brancard wordt binnengebracht.
bldz 106
Truus Oversteegen: “We zagen precies zijn krullen boven de dekens uitsteken. Daaraan konden we hem herkennen. We konden niets doen, het was veel te gevaarlijk. En Hannie was helemaal kapot.”
De Duitsers weten dat ze een belangrijke verzetsman in handen hebben, op wie de Sicherhietspolizie al zo lang heeft geaasd. Ze weten ook dat de man reddeloos gewond is en dat hij niet lang meer te leven heeft. Ze spuiten hun slachtoffer vol met een stimulerende stof die hem aan het praten moet krijgen. Jan Bonekamp zegt niet veel en mompelt nauwelijks hoorbaar een paar woorden. Sterker en sterker worden de injecties. Zwakker wordt de weerstand. Hij noemt het adres van zijn vrouw in IJmuiden. Hij laat waarschijnlijk het adres van Cor Koelman in de Haarlemse Kleine Houtstraat los. Vlak voor het einde, als de Duitsers niets meer los krijgen, buigt Emil Rühl zich over hem heen, die zegt een vriend te zijn. Kan ik nog wat voor je doen, vraagt hij. En Jan Bonekamp noemt de naam van Hannie Schaft en haar adres in de Van Dortstraat. Een paar ogenblikken later sterft hij. Jan Brasser, die een ploeg klaar heeft staan om hem uit het Lazareth te halen, hoeft niet meer in aktie te komen.

bldz 107 
De dood van Jan Bonekamp is een zware slag voor Jannetje Johanna Schaft. Truus Oversteegen praat een nacht lang op haar in. Hannie Schaft is ontroostbaar. Voor haar is niet alleen een goed kameraad heengegaan, met wie ze vocht tegen onderdrukking en terreur, er is ook een grote liefde verdwenen. Truus, die evenals de andere leden van de RVV wel wat vermoed heeft, maar daarover nooit praatte, hoort in die nacht het hele verhaal over de liefde. En er vloeien tranen. Ondanks het verdriet over de gestorven verzetskameraad ontbreekt het de groep in Haarlem niet aan realiteitszin. De verzetsleiders beseffen dat er onmiddellijk aktie ondernomen moet worden.
Hannie Schaft mag niet meer in de Van Dortstraat komen en het meisje krijgt maar toestemming om er heen te fietsen en daar te vertellen dat ook Philine Polak moet verdwijnen. Met spoed wordt voor dit meisje een nieuw onderduikadres gevonden in Amsterdam in de Bethaniëndwarsstraat. Met haar ouders, aan wie Hannie Schaft duidelijk maakt dat ze definitief zal onderduiken en geen kontakt meer met hen zal opnemen, gaat ze heel het huis door om te zien of er nog sporen te vinden zijn van haar en de twee onderduiksters.
Een week later stopt er in de Van Dortstraat voor het huis een wagen waaruit een stel kerels springen. Ze bellen aan. Op de achterdeur, die te bereiken is via een poort, wordt hard geklopt. De Sicherheitspolizie doet een inval en een van de mannen die binnendringt is de Duitser Emil Rühl.
bldz 108
Emil Rühl: “We hebben het meisje heel lang gezocht. Telkens kwamen er meldingen binnen van sabotages en later van liquidaties. Waarbij telkens een meisje betrokken was, een vrouw met lang rood haar. Voor ons was dit meisje een terroriste. Vandaar dat we elk spoor volgden, totdat we achter het adres van haar ouders kwamen.

bldz 109
Ik vroeg aan de heer Schaft waar zijn dochter was, maar hij zei dat ze al lange tijd verdwenen was. Dat hij eigenlijk geen dochter meer had. Hij zei het heel bitter.”
(Verklaring in Duisburg 1975)
(Dertig jaar na de oorlog kan of wil Emil Rühl zich van dit gebeuren niet veel meer herinneren. Hij is nauwelijks nog tot een gesprek te bewegen, maar als hij tenslotte toestemt kan er alleen buiten op straat worden gepraat, in de druipende regen. Emil Rühl kan zich ook niet meer herinneren, hoe hij aan het adres van Hannie Schaft is gekomen, hoewel in de processen verbaal, die vlak na de oorlog zijn gemaakt, vermeld staat, dat hij dit adres van Jan Bonekamp heeft ontfutseld.)

bldz 110
Ook Cor Koelman, de poelier in de Kleine Houtstraat, krijgt een inval: “Ze kwamen hier binnenstappen. Ik schrok me rot. Die moffen lieten me eerst een foto van Hannie zien. Mijn vrouw en ik gelijk: Die kennen we niet, nooit gezien. En daarna trok een van hen een andere foto uit zijn zak met Jan Bonekamp erop. Het had geen zin om te liegen, dus we zeiden dat hij hier altijd de geiten voerde. Dat was ook zo en verder wisten we eigenlijk niets van hem. Er kwamen nog een hele serie vragen, maar we wisten gewoon niets meer.” Tot zijn eigen verbazing wordt de poelier niet meegenomen.

bldz 120 
4 september 1944. Uit een brief van Hannie Schaft op aan Philine Polak:
“Denk niets lafs van mijn vriend, hij heeft zich prachtig gedragen. Het was te wensen dat er meer van zulke mensen waren en overbleven. Hij was een van de fijnste kerels die ik ooit heb ontmoet. Onthou dit, het is heel belangrijk.
Philine, tot spoedig ziens,
hartelijke groeten, Jo”

bldz 141 
Hoewel Hannie Schaft heel goed beseft, dat er zich tijdens de bezetting in Kennemerland en met name in Velsen zaken voordoen die op zijn zachtst gezegd niet in orde zijn, heeft ze nooit geweten wat de Velser affaire was. In de na-oorlogse periode kwamen er zaken aan het licht die alles te maken hadden met moord, chantage, baantjesjagerij, diefstallen, corruptie, vervalsingen, aanslagen en ander geweld. Zowel tijdens als na de bezetting gericht tegen betrouwbare Nederlanders. En steeds waren daar personen bij betrokken uit de Velsense illegaliteit of wat daarvoor doorging.
bldz. 145 Ton Kors
Zo was het bijvoorbeeld onverklaarbaar, waarom Jan Bonekamp in Velsen wel inspecteur Ritman moet neerschieten terwijl andere, schijnbaar even onbetrouwbare figuren uit het politiekorps die binnen de illegaliteit operatief waren, in leven bleven. En na de oorlog zelfs promotie konden maken.


  Ton Kors, journalist en schrijver    Jan Bonekamp, tekening    Hannie Schaft