Johannes Lambertes BONEKAMP 1914 – 1944


Verzamelde gegevens over het verzetswerk van Jan Bonekamp uit: 


Lees over Jan Brasser in www.dezuidkanter.nl  onder Historie - Opening 23 februari 2007 van de Jan Brassertunnel in Zaanstad/Krommenie/Saendelft


 

Boek gesigneerd door Jan Brasser en Otto Kraan, foto Plekker1982 Otto Kraan / Jan Brasser
WITTE KO, herinneringen uit het gewapend vezet


'Witte Ko' was de schuilnaam van de Noordhollander Jan Brasser
in het gewapend verzet in 1940-1945.
'Witte Ko' werd een begrip in de illegaliteit; de nazi's maakten verbeten jacht op hem – zonder succes.
Hij nam deel aan vele fameuze acties, samen met mensen als Hannie Schaft, Jan Bonekamp en Gerrit van der Veen. Vaak vonden ze plaats onder zijn leiding: eerst bij de Raad van Verzet, daarna als commandant van de Gewestelijke Sabotage Afdeling van de Binnenlandse Strijdkrachten.
Na de oorlog werd hij door Koningin Wilhelmina onderscheiden met de Bronzen Leeuw wegens 'het bedrijven van bijzonder moedig en beleidvolle daden.'

Otto Kraan (geb. 1936), bedrijfspersoneelschef bij Hoogovens, tekende het boeiende levensverhaal op van deze antifascist, die ooit als Hoogovensarbeider zijn eerste sabotage-acties tegen de bezetter begon.

Jan Brasser komt begin 1939 in dienst van Hoogovens werken. Hij had nr. S. 28 van de Staalfabriek.
Jan Brasser vertelt dat de periode maart 1939 tot mei 1940 vrij rustig verloopt.
Er is vrij veel aan de hand in Europa en er wordt veel gedicussieerd. Er waren nog niet veel acties. Dat was omdat de mensen die gekomen waren zó van het stempellokaal of de werkverschaffing een baan kregen. Dus geen acties nog, want ieder was veel te blij dat ze werk hadden. Men verdiende ook meer dan buiten het Hoogovensbedrijf. Het werk was op zich wel interessant, maar erg zwaar. De sfeer onder elkaar in de staalfabriek was prima en Europa stond in brand!

Februari-staking 1941. Jan Brasser had gehoord van de staking en ging naar het werk. Daar aangekomen werd er hevig gediscussieerd. Voor of  tegen staken, wat doen we. Bedrijfschef Reitsema spreekt Brasser aan: “Zo kan het niet; er moet gestaakt worden of er moet niet gestaakt worden. Maak een beslissing!” De hoogste chef van de staalfabriek was niet tegen de staking en dat deed goed.
De Kern (voorloper van de Ondernemingsraad bij Hoogovens) was bijeen. Rijk de Waal, 1e secretaris, was tegen. De tweede man De Bie, een katholiek, was vóór staken. Na discussie was de gehele Kern voor staken; een lid was tegen, een NSB-er.
De directie heeft zich de 2 dagen van de staking niet laten zien; zij wachtte kennelijk af.
Ná de staking was men veel strijdbaarder geworden. De Waarheid kreeg gretig aftrek.
Door de CPN werden bladen verspreid, pamfletten, geld ingezameld, acties, vergaderingen enz. Belangrijk was het SOL-fonds (Solidariteitsfond voor ondergedoken communisten. Later werd dit fond erg uitgebreid, want er kwamen steeds meer onderduikers. Bijvoorbeeld van de K.P. (Knok Ploeg) (een van de meest bekende landelijke leiders was de Drent Johannes Post) en L.O. (Landelijke organisatie van onderduikers) opgericht midden 1943 (door 'Tante Riek' H.T. Kuipers-Rietberg).
Ook werden kort na de Februari-staking door de CPN een 'militaire commissie' opgericht. De z.g. MIL-groepen, de eerste landelijke organisatie van het gewapend verzet in Nederland o.l.v. Janrik van Gilse.

In 1941 werd er een Duitser aangesteld. Hij moest de produktiehoeveelheden in de gaten houden. Een soort inspecteur en hij heette Janssen.

In juni 1942 verschijnt in het Nieuws van de Dag een bericht: “alle overtollige arbeidskrachten uit de Nederlandse bedrijven moeten naar de Duitse industrie.”
Weer volop discussie.
De directie was van mening, dat de consequentie van de capitulatie was, dat alle maatregelen door de bezettende macht genomen of ingevoerd, gerespecteerd en opgevolgd moesten worden.
Jan Brasser ging hier tegenin: “Wij hebben in februari gestaakt voor de joden, maar nu willen ze alle Nederlandse arbeiders in hun web hebben. Weer komt de Duitse laars op onze nek. We hebben in februari het hoofd opgeheven en nou doen we 't weer.”
De directie was het er niet mee eens en wezen Jan Brasser aan als verantwoordelijke man als er weduwen en wezen het slachtoffer werden van deze actie.
Met een paar uur staking hebben de arbeiders hun protest laten horen tegen die maatregelen en gingen weer aan het werk. De stemming onder de arbeiders was hartstikke goed.
De L.O. onderduikorganisatie was echter nog niet zo goed, dus veel jongens werden naar Duitsland gesleept. Dat begon met een kaart van het arbeidsbureau.
Men kreeg een kaart met: wij verzoeken u enz. Op dinsdag moest je komen om gekeurd te worden voor Duitsland.
Als je niet kwam kreeg je na enige kaarten een aangetekend schrijven van de directeur van het Arbeidsbureau. In uw eigen belang en laatste waarschuwing…
Jan Brasser schreef een keurig briefje terug: Er is waarschijnlijk een misverstand uwerzijds, want ik heb géén arbeidsbemiddeling nodig. Ik heb vast werk bij de Hoogovens te IJmuiden. Hoogachtend, J. Brasser.

Omdat de dorpsveldwachter (in Uitgeest) hem toch thuis kwam ophalen om zich voor arbeid in Duitsland te melden, heeft Brasser zich bij de Hoogovens opzettelijk verwond, waardoor hij niet beschikbaar was voor arbeid.

Bij de Weduwe 'Hoogovens'

Alle kinderen van de Weduw
leven onbezorgd en vrij
Alle kinderen van de Weduw
hebben 't goed in oorlogstij.

Alles wat de Weduw maakt toch,
wordt geruild voor 't personeel.
Tarwe voor kunstmest van de Mekog
en voor kooks onnoemlijk veel.

Erwten, boonen voor de benzol,
kleeding, schoeisel voor cement.
Ja, wij eten onze buik vol
en wij leven hier patent.

De verdeeling gaat zorgvuldig,
ieder wacht zijn beurt maar af.
Wees vooral niet ongeduldig,
eerst het koren, dan het kaf.

Wehrheim, Surink, Martens, Möckel, Fiege
en veel meer van dat gespuis,
('s Spijt me mensen, dat 'k moet liegen)
brengen het eerst bij 'n ander thuis.

Toch zijn 't goeie Nederlanders,
voor de mof wel 'n beetje bang.
Maar is 't zaakje straks weer anders,
dan zitten ze op de eerste rang.

En het kaf, dat toch ook moet eten,
loopt te stumperen, half vermoord.
't Is om nooit meer te vergeten
achter een handkar uit de Noord.

Den onbekenden dichter
onze dank 'N.B.'

Gedicht uit tweede helft van de oorlog.


Tegen Sinterklaas 1942 moest IJmuiden geëvacueerd worden. IJmuiden was een vesting geworden en alle burgers moesten weg. Op Sinterklaaravond werd een inval gedaan op het Bevolkingsregister van Velsen-Zuid.
Jan Brasser was hierbij aanwezig. Hij had nachtdienst dus de klus moest vóór 22.00 uur gebeuren.
Daan Stapper had een fles benzine leeggegooid op het vloerkleed en op de gordijnen. Het doosje met cellofaan en lont werd geplaatst en ze maakten dat ze weg kwamen.
Later kwam er bericht dat de conciërge die zijn ronde deed benzine had geroken, alarm geslagen had en de zaak werd onschadelijk gemaakt.
Er werd veel over gesproken: Poging tot brandstichting in het bevolkingsregister in het gemeetehuis door de illegaliteit! En dat was bemoedigend!

In april 1943 werd in de krant gepubliceerd dat Het Duitse Opperbevel verordonneert dat de Nederlandse Strijdkrachten zich moeten melden om weer in krijgsgevangenschap te gaan. De Duitsers hadden vastgeteld, dat ondanks het feit dat de Nederlandse Strijdkrachten in mei 1940 hadden gecapituleerd, er gebleken was dat manschappen, officieren enz. zich niet neutraal hielden. De consequenties van capitulatie werden niet genomen. Er was talloze keren gebleken dat men anti-Duits was en daarom dus dat melden voor krijgsgevangenschap.
Aldus het Duitse Opperbevel in bezet Nederland.

Ex-militairen had je overal, dus er was direct al een enorme deining onder het volk.
Er werd afgesproken dat ze zouden proberen het werk neer te leggen tegen deze maatregel bij Hoogovens maar ook bij de overige bedrijven in het gebied.

Jan Bonekamp heeft een belangrijke rol gespeeld. Hij was een brutale kerel als er lectuur verspreid moest worden of geld opgehaald voor het Sol-fonds; en zeer gekant tegen de nazi's. Hij had veel relaties op het bedrijf.

bladz 62/63 Witte Ko
Er zijn toen veel mensen uit ons gebied opgepakt en naar het Tiberiersplein in IJmuiden gebracht, het hoofdbureau van politie.
Jan Bonekamp was daar ook bij en ik geloof ook directeur Spies. Stuk voor stuk moest men aan een tafeltje komen. Toen Jan Bonekamp aan de beurt was, vroegen ze: “Hebt u een rijbewijs?” Jan, die dat wel had en een heel goed chauffeur was, dacht dat hij een gedeelte van de opgepakte mensen naar Amsterdam moest brengen. Hij zei dan ook prompt: “Nee, ik heb geen rijbewijs.” Jan is meen ik op dat gezegde meteen vrijgekomen.
Een neef van hem, ook een Bonekamp met een rijbewijs, is of later opgepakt of meteen al vastgehouden en weer vrijgekomen, toen ze de vergissing in de gaten hadden. Er zijn een groot aantal naar Amsterdam gebracht voor verhoor. Ook daar zijn de meesten weer losgelaten.
Vervoer terug was er niet, zover ging de service niet. Lopend terug naar IJmuiden. Ze zijn nog behoorlijk achter Jan Bonekamp aangeweest. Hij lag onder de vloer toen ze bij hem thuis kwamen. Zijn vrouw voerde het woord en ze zijn weer weggegaan zonder onder de vloer te kijken. Hij heeft nog even in Brabant gezeten, maar daar kwam hij snel van terug. “Geen verzetsstemming,” zei hij. Hij is ook ondergedoken en ik heb kontakt met hem gekregen.
bladz 76 Witte Ko (Verrader Vosveld)
We staan te praten en er komt plotseling een man tussen Bep Starreveld en mij in staan.
“U is toch Brasser uit Uitgeest?” Ik zeg: “nee, dat ben ik niet” Nou hij vroeg nog een keer en ik bleef ontkennen. Hij ging toen weg. Dat was Vosveld! Jan Bonekamp en Hannie Schaft zijn kort voor de invasie in Normandië – 6 juni 1944 – naar hem op zoek geweest in Noord Utrecht. Er was een tip gekomen dat hij daar zou zitten. Zijn ouders hadden er een café. Jan Bonekamp was een felle, want hij ging daar meteen op af zonder mij in kennis te stellen, dat heb ik hem nog wel verweten. Ze zijn heel wat dagen in de weer geweest, maar hebben hem niet gevonden. Toen D-dag (de invasie dus) daar was, zijn ze snel teruggekomen.

bldz. 77 Witte Ko (PEN Centrale)
De aanslag op de PENcentrale Velsen. Het moet omstreeks eind november 1943 geweest zijn, dat we de aanslag op de PENcentrale in Velsen-Noord gedaan hebben.
We, dat waren Jan Bonekamp, Hannie Schaft, Jan Bak en ik (Witte Ko). De bedoeling was de centrale lam te leggen en zodoende een groot deel van Noord-Holland stroomloos te zetten. Hierdoor zouden allerlei aktiviteiten door en ten behoeve van de Duitsers niet doorgaan of gestagneerd worden. Zoals bijvoorbeeld het treinverkeer.
Een employee van de PEN heeft het plan uitgedacht, ik weet zijn naam niet meer. Een paar avonden van tevoren ben ik met hem meegeweest. Het is heel eenvoudig, zei hij, om de centrale plat te krijgen. Ik zat ondergedoken in zijn buurt en de mensen waar ik was hadden connecties met hem. Hij woonde daar heel dicht bij en heeft me een keer erover aangesproken. Dus in het stikdonker heeft hij me laten zien waar de kwetsbare punten waren. Dat waren o.a. de twee jacobsladders die de kolen naar de ketel, die boven stond, transporteerden. Als we die jacobsladders uit wisten te schakelen zou de centrale dus uitvallen.
Er was een prikkeldraad hek met betonnen palen. Daar zouden we overheen moeten. We wisten ook dat er niet al te veel bewaking was, dus het leek tamelijk eenvoudig. Dus een paar dagen daarna heb ik eerst de springstofladingen klaargemaakt. We gebruikte de bekende primitieve ontsteking. Dus de doosjes poeder met cellofaan erover en daar wat zuur op druppelen om een ontbranding tot stand te brengen, waardoor een lont naar de lading moest gaan branden. Dat spul lag opgeslagen bij Jan Warbout; die woonde met zijn vrouw (Engelien Muis) in een klein huisje in de omgeving waar nu de sporthal van Beverwijk staat.
Daar kwam Jan Bonekamp veel om onder te duiken en ik kwam er ook wel.
Ik zei tegen Jan Bonekamp: “We moeten twee uitkijken hebben.” Jan Bonekamp zou een wachtpost meenemen en ik ook.
Ik had Jan Bak van Krommenie meegenomen en Jan zei dat hij ook een goeie had. Later zei hij wie dat was, nl. Hannie Schaft. Die twee kwamen dus van over het kanaal via het bootje van Donkersloot. Ik was al bij Jan Warbout geweest om het spul te halen. We ontmoeten elkaar op een afgesproken plaats in de buurt. Jan Bak stond op het pad aan de Hoogovens kant. Die bewuste avond zijn Jan Bonekamp en ik over het hek geklommen. We hebben de springladingen met ontstekingen in een soort keldertje, dat bij elke jacobsladder was, geplaatst. Zuur op het cellofaan gedruppeld en wegwezen.
Jan Bak ging naar Krommenie en ik naar mijn onderduikadres in Velsen-Noord. Jan Bonekamp en Hannie Schaft gingen naar hun eigen adressen.
Ik stond in de keuken voor het raam en ik zag een lichtflits en ik hoorde dof gerommel. Ik dacht: nou dat is in orde. Ik heb verder niks gezegd. Later bleek helaas, dat waarschijnlijk door de luchtdruk van de eerste ontploffing de ontsteking van de tweede lading uit zijn stand gebracht was. In ieder geval is er geen explosie gekomen en de centrale werd niet uitgeschakeld.
Enige dagen later werd in Beverwijk en Velsen een proclamatie aangeplakt, waarin strafmaatregelen werden aangekondigd. De burgers moesten om negen uur binnen zijn en er moest ook door burgers bij de centrale wacht gelopen worden. De wachten werden verantwoordelijk gesteld voor herhaling van sabotagedaden. De proclamatie was, zoals gewoonlijk met dat soort dingen, in het Duits en Nederlands gesteld. Bekantmachung – Bekendmaking stond er dan boven.
Het morele effect was wel groot en het ging van mond tot mond dat het verzet weer bezig geweest was.
Na 3,5 jaar Duitse onderdrukking waren dergelijke acties erg goed voor de moreel van de bevolking.
 

bladz. 80 Witte Ko (Piet Oublie)
Omstreeks mei 1944 zei de ambtenaar van de burgerlijke stand van Wormerveer: Ik moet onderduiken. Jullie weten dat burgemeester Slager naar het concentratiekamp in Amersfoort is gebracht. Hij had nl. geweigerd mensen aan te wijzen die dan aan de kustverdediging moesten werken. Direct daarna werd aangekondigd, dat er een andere, een NSB-burgemeester zou komen, een P. de Vries. Tijdens het kennismaken, voordat hij in funktie was, zei hij: ik zal goed opletten dat er niet gesaboteerd wordt, houdt u daar rekening mee.
Dat was dus tegen de ambtenaren. Die ambtenaar, Wolleswinkel, zei dus: ik moet onderduiken, want er zijn zoveel persoonsbewijzen weg, echte persoonsbewijzen dus.
Dan ben ik natuurlijk de sigaar. Via een kontaktman, Jan van Wijngaarden, werd ik er ook bij geroepen. Ik zei: Hij moet blijven zitten, we hebben aan hem een prachtkerel. Erg belangrijk, niet alleen voor de eigen mensen, maar je kon op die manier ook weer anderen helpen met persoonsbewijzen.
Dus wij zeiden: Jij blijft zitten en wij zorgen voor chaos, zodat er niks te kontroleren is.
Hij was al een dag in funktie, de nieuwbakken burgemeester, toen wij kwamen. We hadden een ondergedoken auto van Nico Boer uit Beemster in gebruik. Nico was een KP-er die later gepakt is en gefusilleerd. Wij hadden toen al heel wat kontakten met de knokploegen. Zij overvielen veelal distributiekantoren, want de LO (Landelijke Onderduikersorganisatie) had natuurlijk enorm veel bonkaarten nodig. Tante Riek, die eigenlijk het initiatief heeft genomen om de organisatie landelijk te organisren, is in kamp Ravensbrück doodgemaakt.
We zijn er met zijn zessen heen gegaan, naar het gemeentehuis van Wormerveer. Een op de uitkijk. Uit de burgemeesterskamer keek je zo op het politiebureau.
Jan Bonekamp, Joop Jongh, Meindert van der Horst, Wim de Jong, Teun Jonker en ik. Drie gingen de secretarie binnen en hadden het personeel onder schot. Ambtenaar Wolleswinkel had zich ziek gemeld, maar had ons een mooi schetsje geleverd. Jan Bonekamp en ik zijn door de zijdeur naar binnengegaan. Na de eerste schrik vond het secretariepersoneel de situatie helemaal niet zo erg. Er werd gezegd wat de bedoeling was. Wij naar de burgemeesterskamer. Netjes geklopt. Binnen! We kwamen binnen met lappen met gaten voor het gezicht. Die zwarte lappen onder de pet of hoed gestoken. Nou daar zat eendagsvlieg de Vries achter zijn grote bureau. Hij zag ons en werd zo wit als een doek. Wij met pistool in de hand op hem af. Houd je gedeisd, anders wordt er geschoten, enz.
En toen ging hij plotseling achter die grote zware stoel staan en begon, er net bovenuit kijkend, 'm naar het raam te duwen waar je op het politiebureau keek. Hij wilde hem er waarschijnlijk doorheen gooien, als ie dat als klein mannetje al gekund zou hebben.
Ik vloog naar het raam toe en toen liet hij alle moed varen. Ik heb nooit anders als sociaal werk gedaan, zei hij trillend en bevend. Nou dan moet je dan maar mee doorgaan als je denkt dat het sociaal werk is. Maar als het mis is, dan komen we nog een keer terug! We hebben hem geboeid, prop in zijn mond, voeten bij elkaar. We hebben hem op de grond gelegd maar iedere keer als hij wat hoorde, ging die kop omhoog. Het secretariepersoneel moest de kluis in. Het bevolkingsregister werd in zes zakken gedaan. Precies op tijd kwam de auto voorrijden met Nico Boer en Han de Vries uit Bafloo. Wolleswinkel had ook nog gezegd: denk erom, er is nog een oud bevolkingsregister, dat kan zo weer gebruikt worden. Dat moest ook weg, maar daar hadden we in de auto geen ruimte voor. Dus wat benzine in het voorkamertje naast de hoofdingang over alle kaarten die op een hoop gegooid waren. Een lucifertje erop en het ging prima, prima!
Tijdens al deze werkzaamheden keek die burgemeester iedere keer op. Jan Bonekamp schreeuwde dan: Kop neer! Maar iedere keer die kop weer omhoog. Jan heeft toen de matting van de vloer gerukt en hem erin gerold. Aan de ene kant zag je nog die kop, maar die kon niet meer op of neer, en aan de andere kant zijn voeten.
Vanaf dat moment heet de burgemeester van Wormerveer: Piet Oublie.
Het gemeentehuis is uitgebrand met het oude bevolkingsregister. De auto was al weg en we zijn op de fiets vertrokken. Het personeel in de kluis en de burgemeester zijn door de congiŽrge bevrijd. Dat was van tevoren afgesproken. De brandweer heeft heel langzaam de boel geblust. Ze wisten dat het voor een goeie zaak was. Ze spoten via een raam in de voorgevel door een raam in de zijgevel weer naar buiten tot grote hilariteit van de toeschouwers. Er werd enorm gepraat en gelachen om Pietje Oublie.
Ik moest 's avond nog over het Noord-Hollandskanaal. De veerman was een stille vent, zei nooit wat. Hij had een roeiboot voor wielrijders als het er niet te veel waren. Hij roeit mij over en hij begint me toch te praten en te lachen. De burgemeester in de vloermat! in de vloermat! dat is toch mooi. Hij was helemaal praterig en anders zei hij alleen maar: ik krijg een dubbeltje van je.

bladz 82 Witte Ko (Bevolk.reg. Heiloo)
Een paar weken daarna kregen we bericht van Toon Michels een jongen die ook in Spanje had gevochten. De ambtenares die het bevolkingsregister beheert in Heiloo komt in moeilijkheden. Ze is bang dat de NSB-burgemeester gaat controleren. Dus dezelfde situatie in Wormerveer. Ik meen dat toen in de krant had gestaan dat er gesaboteerd werd door ambtenaren. Dientengevolge zou er strenger toezicht komen en controle. Het werd dus gevaarlijk en logisch dat de goeie ambtenaren bang werden. Dus die ambtenares wilde dat er maatregelen genomen zouden worden om haar veilig te stellen.
Het gemeentehuis van Heiloo staat met de zijgevel aan de Alkmaarsestraatweg. Voor de voorgevel was een pleintje met een kerk. Aan dat pleinje had je een restaurant “De oude Herberg” en die was gevorderd door de Duitsers.
Een schildwacht ervoor en dat was 30 à 40 meter van het gemeentehuis. Er was ook nog een villa met een schildwacht ervoor. Administratieve legerafdelingen,denk ik.
De gemeenteveldwachter woonde naast het gemeentehuis en die stond als goed bekend bij de illegaliteit. Ik heb de situatie opgenomen met Toon Michels.
bldz. 83
Nou, linke soep he. Als er iets mis gaat gaat het goed mis! Maar we hebben besloten om door te gaan, want het was erg belangrijk dat die ambtenares daar bleef zitten en haar goeie werk voor de illegaliteit bleef voortzetten.
Toon Michels had van haar gehoord hoe de gang van zaken was op het gemeentehuis. Ik wist geen naam; beter van niet. Aan de achterkant van het gemeentehuis was een drietal cellen voor tijdelijke opsluiting van eventuele gevangenen. We hadden een auto van een Wehrmachtaannemer 's nachts uit de garage gehaald. Althans collega's hadden dat gedaan. Ik was daar niet bij. Die auto was in Heiloo op een onderduikadres. We wisten ook dat er op een bepaalde tijd spreekuur was van de ambtenaren. Als dat afgelopen was, waren er geen burgers meer in het gebouw. We kwamen binnen, allemaal door de voordeur, met zijn vijven of zessen. Jan Bonekamp was er ook bij. Rechts zou in een kamer de burgemeester zitten en hij zou op dat tijdstip alleen zijn. Maar er zaten in de wachtkamer nog enige burgers van Heiloo. Dat was een misser. Kennelijk was het spreekuur uitgelopen. De wethouders zaten bij de burgemeester. Ze keken in de gaten in de maskers en naar de pistolen. Ze waren erg tam. Het secretariepersoneel werd naar de kluisruimte gebracht. We zouden de burgemeester in de cel stoppen. Maar nu moesten de wethouders en de burgers daar ook bij. De cellen waren niet te sluiten. De sleutels waren er niet, dus er moest een man bij blijven om ze in de gaten te houden. Dat scheelde ook weer een man. We wisten dat er boven twee ambtenaren waren, een dame en een heer. Ik ging met een gang naar boven met Joop Jongh. Die mevrouw was er wel maar de man was er niet. Dus wij vroegen: waar is hij? Ja, zei ze, net was hij er nog maar ik weet het niet. Ik dacht: Oh jezus, waar is die gebleven. Nog hier en daar deuren open getrokken. Niks te zien! De jongens waren al bezig met de persoonsbewijzen en het bevolkingsregister. Toen schoot me ineens in het hoofd: oh jezus, de wc. Die is beneden, zou hij daar zijn. En ik wilde weer met een rotgang naar beneden. Ik heb nog geen twee treden genomen er daar staat beneden, als vastgenageld naar mij te staren, die man. Die man schrok zich dood van dat masker en dat pistool
bldz. 84
wat ik in de hand had. Ik richtte het pistool op hem. “Handen omhoog en staan blijven!” Maar met zijn handen op zijn hoofd rende hij naar de voordeur en naar buiten! Ik er achter aan, maar eerst het weg en pistool in de zak, vanwege de Duitsers aan de overkant. De schildwacht stond daar nog heel kalm en die vent was nergens meer te zien! Ik weer naar binnen en maak alarm. Jongens we moeten terug! We moeten weg, we moeten weg! Die burgemeester heeft het ook gehoord waarschijnlijk. Twee waren zonder fiets, Wim de Jong en Jan Bonekamp. De auto was al voor gereden om het bevolkingsregister in te laden. Dat zat al bijna geheel in de zakken. Personeel in de kluis en burgemeester en wethouders in de cel met een wacht ervoor. Wij gingen ogenschijnlijk kalm de voordeur uit. Een paar jongens met Jan Bonekamp gingen door een raam eruit. Zij gingen met de fiets de Alkmaarsestraatweg op richting Limmen. Joop Jongh en ik, het laatst dus, eruit via de voordeur. Maar toen die wacht bij die cel zijn hielen gelicht had kwam die burgemeester ook meteen naar buiten. Schreeuwen, schreeuwen als een gek! Hij had zoals ik al zei ook gehoord dat we snel weg moesten. Die burgemeester kreeg moed. Schreeuwde naar die Duitsers in het Duits en het Hollands, helemaal opgewonden. Dus vier man op twee fietsen, langzaam wegfietsen, en de burgemeester er achteraan rennend.
En Joop en ik daar weer achteraan. Hij was bij de fiets gekomen, waar Jan Bonekamp achterop zat. Hij is toen plotseling blijven staan, maar rende er toch weer achteraan. Joop en ik konden dat goed zien. Achteraf hoorde ik van Jan Bonekamp dat Jan zijn pistool had laten zien. Eerst wat verdekt, maar de tweede keer openlijk. En met de woorden: Opgesodemieterd, anders schiet ik je voor je verdommenis. Toen ging hij terug en liep ons voorbij. En wij fietsten ook heel kalm door. Die burgemeester heeft toen een Wehrmachtsauto aangehouden waar een paar officieren in zaten. Toen er achter aan. Reed Joop en mij weer voorbij. Toen hij dat zag is Wim de Jongh uit St. Pancras afgestapt, de Straatweg over en de weilanden in.
Jan Bonekamp reed nog even door en is toen ook afgestapt
bldz. 85
en kwam in een woning van een tuinder, achterom, binnen. Hij vroeg aan een vrouw: hebt u een beetje drinken, want ik heb zo'n dorst. Ze zei: m'n thee is net klaar, komt u maar effen binnen. Ze dacht waarschijnlijk aan “eten halen”. Jan heeft daar aan die tafel zittend gezien wat zich afspeelde. Die officieren hebben nog op Wim geschoten, maar die is verder gerend en heeft zich tot donkers schuilgehouden. Toen is hij naar Alkmaar gegaan. Naar de Uitenboschstraat. Daar hadden we goeie adressen, onder anderen bij Alie van Berkum. Die woonde daar alleen; haar vader was weduwnaar en zat in het concentratiekamp.
Het is al met al prima afgelopen. Ze hadden voldoende persoonsbewijzen mee om de ambtenares veilig te stellen. Het bevolkingsregister is er niet helemaal uitgekomen.


bladz 85 Witte Ko
We waren er altijd enorm op gebrand om gevangenen te bevrijden. Maar dat was altijd erg moeilijk hé. Door toeval of zoeken kwam je in kontakt met mensen die je konden helpen. Ik heb al verteld hoe we in de nacht van 21 en 22 juni 1943 Daan Stapper bevrijd hebben, maar van Gelder een communist die was gepakt bij het verspreiden van de illegale Waarheid moest achterlaten. Hij was enorm afgetuigd om namen uit hem te krijgen. Na Daan Stapper is er nog iemand uit die isoleerafdeling van het WG gehaald. Dat was een Zaanse politieman, Joop Keizer. Dat hadden wij niet gedaan maar een andere groep. Door die ontsnappingen hebben de Duitsers deze 'patiŽnten' naar de 4
e of 5e verdiping hiljoen gebracht. Van het paviljoen zijn alle deuren, ook in de gangen en zo, gesloten. Dat was al zo, voordat de Duitsers er waren. Sinds juni was er heel wat gebeurd. Hansje Suurmond was ons kontakt. Zij had ook andere verpleegsters voor de goede zaak gewonnen. Ook de portier was erbij betrokken. Dat was erg goed, want dan hoefden we niet over het hek. Ze zei, ik loop 's avonds in het donker met jullie gewoon het Ziekenhuis binnen. Dat was november 1943. Met de lift heeft ze ons boven gebracht, een paar gesloten gangdeuren geopend en ons voor de deur gebracht waar drie gevangenen werden 'verpleegd'.
bldz. 86
De verpleger/bewaker was niet te vertrouwen en er was gezegd dat het een sterke brede vent was. Nou we stonden met zijn vieren voor de deur. Janrik van Gilse, de man die de landelijke MIL-groepen leidde, sprak goed Duits. Hij zou in eerste instantie voor de deur het woord doen. Joop Jongh droeg een Duits uniform om die verpleger/bewaker in verwarring te brengen. En verder Jan Bonekamp en ik.
Toen kloppen en er werd binnen wat gezegd. En Janrik van Gilse begon in het Duits: Aufmachen, Heftlingen werden controliert enz.
De deur ging open en wij meteen naar binnen. De militair voorop en toen we binnen waren meteen voor de alarmbel staan. Dat had Hansje Suurmond ons gezegd. Er lagen drie 'patiŽnten' en Janrik rende meteen naar iemand toe die hij goed kende. Dat werd een spontane blije begroeting. Janrik was meteen even uit zijn concentratie, maar ik had die verpleger/bewaker goed in de gaten. We hadden al gezegd wat er gebeuren ging. De pistolen waren voor de dag gehaald. Nou ja, zei die verpleger, gaan jullie je gang maar. Al pratend schoof hij wel naar die alarmknop die rechts van de deur zat. Dus ik naar hem toe. Ik zei: opgesodemieterd. Ga op dat bed liggen! Ga op dat bed liggen! Anders schiet ik je voor je verdommenis. Oh, Oh, Oh, toen begon hij een beetje te jammeren. Maar hij ging liggen en we hadden touw meegenomen. Jan Bonekamp erbij en de andere twee gingen de gevangenen aankleden. Maar de verpleger lag nog te jammeren en volgens ons veel te luid. Hij had inmiddels een prop in zijn mond. Houd je rotsmoel dicht! Ja, maar eh… en hij begint te worstelen en te vechten. Wat een kracht had die vent. Nou ben ik ook niet een van de minsten en met Jan samen hielden we hem in bedwang. Maar toen bleek dat zijn gebit half in zijn keel zat, vandaar. Janrik had van een arts een flesje chloroform gekregen en Jan Bonekamp had dat flesje in zijn zak. Hij zei: ik zal hem wel effen een kalmerend middeltje geven. Toen dat gebit eruit was en de prop er weer in, chloroform op een doek onder zijn neus gebonden. Hij werd erg kalm we hadden geen last meer van hem. Met de drie 'patiŽnten' zijn we toen via het hek weggegaan. Daar stonden Annie Averink en nog een paar anderen met fietsen. Van Gelder kon wel weer een beetje lopen maar ging nog erg moeilijk.
bldz 87
Dus over de hekken heen naar de Nicolaas Beetsstraat. Ze zijn veilig gesteld. Annie nam van Gelder mee. Hansje vertelde nadien dat ze zo onbedaarlijk hadden gelachen toen die verpleger 's ochtends vrij kwam. Toen ze 'm los gemaakt hadden, heeft hij nog onsamenhangend liggen schreeuwen. Die verpleegsters hebben zich rot gelachen. Jan was erg royaal geweest met de chloroform. Het bevrijden van gevangenen was zeer bevredigend. Je kan natuurlijk zeggen dat bijvoorbeeld zo'n Jan Bonekamp veel arrestaties heeft voorkomen, doordat hij verraders neerschoot. Maar als je op deze manier mensen bevrijdde, dan gaf dat een enorme voldoening, dat kan ik je wel zeggen.
 

bld 87
Nadat Jan Bonekamp en Hannie Schaft terug waren uit Utrecht, toen ze die Vosveld gezocht hadden, hebben we samen trotyl vervoerd.
bldz 88
Dus direct na de landing in Normandië.
Wij, de hele verzetsbeweging, gingen er van uit dat ook hier landingen zouden komen. We hadden springstoffen in de Zaan opgeslagen en we dachten dat moeten we ook in andere delen van ons gebied brengen. Dan kunnen we, als er landingen komen, spoorbruggen enz. opblazen. Dat zou verhinderen, dat de Wehrmacht zich snel zou kunnen verplaatsen, waardoor ze aan gevechtskracht zouden inboeten. We hebben de fietstassen volgeladen met springstoffen en ontstekingsmateriaal. We, Jan Bonekamp, Miep van der Horst, Joog Jongh, Hannie Schaft en ik, zijn toen langs stille polderweggetjes, via Westgraftdijk naar Akersloot gegaan. We hadden de laatste bocht genomen en keken zo op het Noord-Hollandskanaal en de pont bij Akersloot. Daar bij de aanlegplaats van de pont, stond vier man van de Herman Göring divisie. Dat waren over het algemeen fanatieke jonge knapen en vooral leek dat nog meer als ze zo onder die helmen vandaan keken. De Duitsers waren namelijk na de landingen ook in beweging gekomen. Ze stonden te kontrolen op knooppunten van wegen en bruggen enz. Maar zoals ze vanonder die helmen vandaan loerden, echt die smoelen van de Hitler Jugend. Nou, wij waren al helemaal in het zicht en omkeren en wegfietsen leek ons niet goed. Dat viel veel te veel op. En dan zouden ze achter ons aan gekomen zijn. Nou het was nog een meter of wat en zij gingen dat laatste stuk heel langzaam fietsen. Heel snel beraadslagen wat te doen? wat te doen? We spraken af: we gaan gewoon naar de pont. Als een van die Moffen aan een van ons vraagt om de fietstassen open te maken: dan trekken we meteen alle vijf het pistool en schieten de dichtstbijzijnde man neer. Als we om zouden draaien en het kwam tot een schieten, dan waren zij met hun verdragende wapens in het voordeel.
Dus we gaan door! En denk erom als ze in de tassen willen kijken, meteen schieten!
Nou, langzaam verder. Het pontje was al op komst, dat zagen we. Halt! Ausweisz! Nou, wij laten de persoonsbewijzen zien. Ik met mijn lang benen op de grond en zitten blijven. Een van die kerels kijkt naar die tassen, dat zie je allemaal en dan . . . . gebeurt er helemaal niks. Het pontje legde aan en we stonden met zijn vijven voor op het pontje. Jan Bonekamp zei: Bijna hadden er vier van die
bldz. 89
smeerlappen minder geweest. Die hoopte er gewoon op. Maar ik zei, kijk nou effen achter je! Een luxe auto met vier officieren erin die reed ook kalm dat pontje op. Ik zei: wat denk je daarvan? Nou, zei Jan, we praten er niet meer over.
We zijn via Akersloot naar Limmen gegaan. Bij Jan Bult onder de hooiberg - het hooi was er nog niet in maar wel een laag takkenbossen om broei te voorkomen – was een prachtschuilplaats gemaakt. Via een gang kon je erin komen. Er konden mensen in zitten maar ook de vracht springstof.
Die was veilig gesteld. Kort daarna kwam de vracht hooi er ook nog overheen.
Ik had toen inmiddels wel een 9 mm pistool dat heb ik via Gerrit Jan van der Veen gekregen. Hij zag dat pistooltje van mij, die 6.35 mm. Hij zei, dat is niks – ik heb wel betere. En toen had ik de 9 mm FN die hadden ze bij de marine en marechaussee. Het was een plat pistool dat je ongezien in je zak kon hebben. Dat pistool kreeg ik toen we de eerste overval op de Weteringschans in Amsterdam deden.
De pistolen die via de Engelse droppings kwamen waren veel te groot en te zwaar. Voor ons werk niet geschikt.

bldz 89 Witte Ko (Slavenhaler)
Het einde van de Slavenhaler.
We hadden via een kontakt uit de Euterpestraat (thans Gerrit van de Veenstraat, zetelde de Sicherheitsdienst) een salarislijst te pakken gekregen. Het betrof een afschrift van een lijst van Nederlanders die in dienst waren van de Sicherheitsdienst. Dus dat betekent: in dienst van de Duitse politieke politie. Ene R. stond erop als luitenant. Hij was in wezen in dienst van de politie in Velsen. Er was van hem bekend dat hij veel vernietigend werk had gedaan ten aanzien van goede Nederlanders, ook onderduikers. Wij hadden inlichtingen dat hij met verlinkers werkte. Dat waren provocateurs. Ze gingen de boeren af voor voedsel; ze keken dan meteen of er onderduikers bij die boeren gehuisvest waren. Musman in Alkmaar werkte ook zo. Jan Bonekamp heeft hem gedeeltelijk kunnen uitschakelen.
bldz. 90
Die verlinkers gingen anti-Duits mopperend naar de boeren om te proberen het vertrouwen te krijgen. Als ze dan een tweede keer kwamen, was er natuurlijk al wat vertrouwen. Dan liepen de eventuele onderduikers niet naar hun schuilplaats. Dat werd dan door deze verlinkers genoteerd en doorgegeven. Dan kwam er een overval en de onderduikers en ook de boer werd dan opgepakt. Nou, die R. maakte ook op die wijze gevangenen buit voor de Duitsers. Want ze werden, eventueel via OT kampen (organisatie Toth) waar ze in nazi stijl behandeld werden, aan Duitse verdegigingswerken als arbeidsslaven te werk gesteld. Zo zijn er massa's slaven uit de bezette gebieden gehaald.
Jan Bonekamp wist daar ook van; hij was enorm gebeten op die R. Hij was zelf al diverse malen bezig geweest om hem neer te leggen. Maar er had zich nog steeds geen goede gelegenheid voorgedaan. R. woonde in Velsen-Noord en ging iedere dag van Velsen-Noord naar IJmuiden met de trein of ook wel op de fiets. Ik moest Jan wel wat afremmen, want die wou dan al te onbesuisd te werk gaan. Hij vond dat het te lang duurde en dat R. te veel slachtoffers maakte. Eventueel wilde hij R. wel in zijn huis neerschieten. Uiteindelijk kregen we een seintje van een van de politie in Velsen, een kontakt van Jan. R. had zich op het bureau uitgelaten, dat hij met zijn administratief werk zo ver achter was, dat hij zeker een week nodig had om het in te halen. Toen hebben we het plan gemaakt om hem in die week, dat hij dus iedere avond naar huis kwam, te pakken te nemen. We hebben die auto van de Heilooer jongens meegekregen. Die auto van de Wehrmachtsaannemer was weggehaald. We hadden met de jongens afgesproken, dat ze de auto zouden brengen niet ver van het Akersloter pontje over het Noord-Hollandskanaal. Daar zouden wij staan om in te stappen. Wij, dat waren: Jan Bonekamp, Joop Jongh, Meindert van der Horst, Alie Hollander en ik. Alie was toen ongeveer 18 jaar, een dochter van Ko Hollander uit Limmen. Als ik daar kwam vroeg ze altijd: Jan, heb je nog een karweitje? Jan, heb je nog een karweitje? Dat ging dan fluisterend en als haar ouders er niet bij waren, want die mochten het niet horen en weten. Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik ook wel wat angstig was omdat ze nog zo jong was. Maar toen deed ze dan ook mee, ze had een taak. Die auto kwam precies op tijd. En we stapten met zijn vijven in. Jan Bonekamp kreeg opdracht om te sturen. Die was nijdig: nou kunnen we die mensenjager eindelijk nemen en nou moet ik achter dat rotstuur zitten!
Maar Jan was gewoon de beste chauffeur, dus hij moest sturen. We reden naar Velsen-Noord. Ik had dat van tevoren al bekeken. Niet ver van de aanlegsteiger van de pont gingen we een zijstraat in. Ik meen dat het de Burg. Weertstraat was. Dus aan de kant van Velsen-Noord.
Daar bleven we in de auto zitten die met de neus naar de Wijkerstraatweg stond. Alie was uitgestapt en naar de Wijkerstraatweg gegaan. Ze had een zo nauwkeurig mogelijk beschrijving van hem gekregen. Een tamelijk lange man met een korte leren jack. Als ze hem van de pont af zag komen aanfietsen zou ze de straat in komen lopen, waar wij in de auto zaten te wachten. We hebben een hele tijd gewacht tot het tijdstip dat wij hem verwachtten. Maar het duurde tamelijk lang. Veel auto's zag je niet meer in die tijd, wat je zag was Duits, dus we trokken nogal wat belangstelling. Vrouwen die langs kwamen en bleven staan op een afstandje om met elkaar te praten. En ondertussen kijken, kijken naar die auto. Alie zagen we zo nu en dan voorbij lopen maar steeds niet de straat in komen. Duitse soldaten liepen voorbij en keken zo de straat in en liepen gewoon door. Joop Jongh, in de auto, droeg een Duits uniform; dat hield de al te kijklustige Nederlanders op een afstandje. Dat werkte wel, want als de raampjes beslagen waren kwamen ze dichterbij. Als we een raampje openzetten om de ruiten weer wat helder te krijgen, verdwenen de kijkers ook meteen, als ze dat uniform zagen. Maar op een gegeven moment ging Alie niet voorbij maar kwam heel zeker de straat inlopen. Jan Bonekamp startte de auto meteen; hij kende R. wel. Dat is hem, daar gaat ie! Wij met de auto er achter aan. Nog om een paar karren heen en even later was R. neergeschoten. Door drie man tegelijk. Want we wilden geen risico lopen dat het zou mislukken. Eerst kwam nog een bericht dat hij zo bijdehand geweest was om het nummer van de auto op te nemen. Als dat al zo geweest was gaf dat niets, want we hadden valse nummerplaten gebruikt.
 

bldz 93 Witte Ko (Transformatoren van Electro)
Er waren berichten tot ons gekomen, dat een heel belangrijke fabriek die acetyleengas produceerde stil gelegd moest worden. Dat gas werd door allerlei metaalbedrijven en bedrijfjes gebruikt die voor de Duitsers werkten of moesten werken. Die fabriek heette meen ik Electro en stond in ieder geval aan de Distelweg in Amsterdam-Noord. Dat gas werd gebruikt om te lassen. Als we dat bedrijf stil konden leggen zouden we dus direct of indirect de Duitse Wehrmacht belemmeren. Een Amsterdammer had daar kontakt gelegd met een van de arbeiders. Op een avond, eind maart 1944 gingen we naar Amsterdam. We hebben eerst een tijd in een atelier van een schilder vlak bij de Jodenbreestraat gezeten. Daar hebben we de zaak doorgesproken en vandaar gingen we ook weg. Trotyl, ontstekeningsmateriaal en allemaal een pistool. De bekende lappen met gaten voor de ogen ook mee.
We, dat zijn Jan Bonekamp, Ferry van den Ham – een Utrechtse jongen die later op het station van Utrecht doodgeschoten is – Gerben Wagenaar, Joop Asjes uit Alkmaar, Meindert van der Horst, Joop Jongh en ik.
We kwamen bij de fabriek aan en hebben die jongens die nachtdienst hadden opgesloten en veilig gesteld. Ze vonden het overigens best, hoor, toen ze hoorden wat de bedoeling was. Van onze zegsman hadden we een schetsje gekregen, zodat we precies wisten waar we ze opsloten. Dit was zodanig gekozen, dat ze later niet verweten konden worden dat ze geen alarm gemaakt hadden. Telefoon afgesneden natuurlijk. 's Ochtends zijn ze bevrijd door de ochtendploeg van de fabriek, dus dat is precies gegaan zoals we dat wilden. Maar wij hadden de opdracht de drie behoorlijk grote transformatoren onklaar te maken. Daar kon je net onder komen. Er lag veel stof en vuiligheid onder, we zagen er ook niet uit naderhand, te vies om aan te pakken.
Het was op de schetsjes aangegeven. Ook was aangegeven waar precies de explosieven geplaatst moesten worden om met niet al te veel trotyl de hele transformator onklaar te maken.
Laat ik het zo zeggen: om de edele delen goed uit te schakelen. Die explosies waren evengoed groot genoeg, het gaf een enorme klap.
bldz. 94
Dus nummer een, twee en drie hadden we gedaan. Trotyl eronder, de ouwe ontstekingsmanier van cellofaan en zuur, nou in orde! Jan Bonekamp zei: ik heb met dat zuur gemorst bij de derde. Ik zal er nog wat bijgieten. Hij er weer onder en nog een beetje van het zuur op het cellofaan gegoten. Nou, wij gingen snel weg. Degenen die lopend waren, die waren al weg. Ik zat achterop de fiets bij Jan Bonekamp. We komen vlak bij Fokker en daar had je niet alleen bedrijfspolitie, maar ook Duitse politie, want dat was een Kriegswichtige fabriek, hé. En toen klonk de eerste explosie. Ik denk toch wel dat het kwam door het beetje extra van Jan Bonekamp! Bij die politie ging een deur open en je zag licht. Dat was op zichzelf al iets bijzonders als je licht zag, want alles moest verduisterd zijn.
Maar goed, er kwamen twee man naar buiten en je kon ze goed zien. En ik meteen luid roepend achterop die fiets: Verdomme, ze gooien tegenwoordig bommen en dan pas maken ze alarm! Of ze dat gehoord hebben weet ik niet, maar wij fietsten door en er werd verder door die politie niet gereageerd. We stonden net op de IJ-pont om richting Centraal Station te varen; een dreun en we hoorden de tweede explosie. Toen we aan de overkant waren hoorden we de derde. Aan de Zaan hoorde ik een poosje later van een christelijke KP-jongen waar ik kwam, Kees Beernink, dat er geen acetyleengas meer te krijgen was via Amsterdam. De fabriek lag stil en dat dus de beoogde stagnatie bij allerlei metaalbedrijven.

bldz. 94 Witte Ko (Overval op de Weteringschans)
De overval op de Weteringschans.
Er is enorm veel werk aan geweest, maar de overvallen op de Weteringschans zijn allemaal mislukt. Wij hebben het niet gered en anderen ook niet.
De eerste keer dat wij het geprobeerd hebben was op Oudejaarsnacht 1943/1944. We zaten met een stelletje jongens in een huis. Ik meen in de Krayenhoffstraat. Gerrit van der Veen was er bij, de bekende beeldhouwer en verzetsleider. Gerrit was de man van het kunstenaarsverzet. Hij speelde een belangrijke rol in de 'persoonsbewijzencentrale' die
bldz. 95
vanaf de zomer 1942 volop funktioneerde. En duizenden valse persoonsbewijzen heeft gemaakt. Onder zijn leiding werd ook op 27 maart 1943 het Amsterdamse Bevolkingsregister overvallen, dat vooral heeft hem beroemd gemaakt. Hij was een zeer moedig mens. Er waren die nacht meer mensen bij van het kunstenaarsverzet, o.a. ook de beeldhouwer Johan Limpers en Karel Schippers, de kunstenaar die later in Delft werd doodgeschoten. Verder was er Karel Pekelharing, een acteur, en Ferry van den Ham.
Voor vijf man waren er Duitse uniformen. Daarop waren de
bldz. 96
uitmonstering en distinctieven gemaakt, zodat wij op Duitse politie leken. De uniformen kwamen van Alie van Berkum, die werkte bij de expeditie van S. Krom te Alkmaar, in ons bezit. Die werden dus gestolen en naar een goed adres gebracht. Alie Hollander en nog een ander brachten die uniformen met de trein naar Amsterdam. Dat was op zich al erg gevaarlijk. Want als ze gepakt zouden worden bij een of andere controle was het leed niet te overzien. Dus alles was piekfijn georganiseerd. Er was een auto die voor de Wehrmacht reed. Twee jongens die daar op reden hadden hun medewerking toegezegd. Ze kwamen uit de buurt van Amersfoort. Die hadden op de 31
e december dienst. Het plan was, dat we met zijn vijven van de Duitse politie waren. En dat we vijf gevangenen binnen zouden brengen op de Weteringschans. Er was bij ons ook een Rijksduitser, Albert was de naam die hij gebruikte. Die is later ook doodgeschoten. Maar die sprak natuurlijk Duits en hij zou het woord doen. Het was de bedoeling de poort in te rijden om op de binnenplaats te komen. Die poort moest natuurlijk door het Duits spreken van Albert voor ons geopend worden. Dan de z.g. gevangenen uitladen en de SS-ers die nachtdienst hadden in de gevangenis onder schot te krijgen. En dan de echte gevangenen die we op het oog hadden, bevrijden. Ik dacht aan de Zaandammers, ook RVV-ers, Ab Huisman, Sjef Zwolfs, die dat trotyl van de Hembrug had geleverd, en anderen.
Wat wil het geval. We brengen de nacht door in een huis waarvan de bewoners elders Oud- en Nieuw aan het vieren waren. Ze hadden de woning aan ons overgelaten. Oude huizen met houten trappen, ik meen twee hoog. Gerrit van der Veen ging in de loop van die nacht naar die auto. Die stond in een loodsje dat geleend was; ik weet niet van wie, daar stond ik buiten.
bldz 97.
Maar de deuren konden niet goed dicht. Die auto was er te groot voor. Al vroeg in de avond hadden die twee Amersfoortse jongens gemerkt dat de accu leeg was. Er moest een nieuwe in, anders kon er niet gestart worden. Hoe dat nou gekomen was weet ik niet. Via een Amsterdamse jongen die bij onze groep zat, zijn ze aan een nieuwe accu gekomen. Dus 's nachts nog in dat loodsje aan het werk geweest. Er wordt beweerd dat er licht naar buiten geschenen heeft en zo op de een of andere manier de Duitsers erbij gekomen zijn. Even voor het einde van de sperrtijd zouden we de overval plegen. Gerrit van der Veen ging ruim voor die tijd naar het loodsje. Hij nam een jongen mee (na de oorlog bleek die Jansma te heten). Het parool was: uniformen aantrekken want we komen direct voorrijden. Ik was zo'n soort Feldwebel, dus een beetje een hoge, wij stonden klaar en wachten. En ineens een gebonk en gedaver op die trap. En dat klonk in die nachtelijke stilte dubbel zo hard. Komt die Jansma naar boven, buiten adem en van streek: de SD is bij de auto! Gerrit van der Veen is nog boven op dat loodsje weten te komen en heeft gezien hoe die moffen die jongens meenamen. Die auto bleef daar staan. Dus uniformen weg! Alles weg en de benen nemen. Het zat allemaal prachtig in elkaar en was goed voorbereid. Maar hoe de SD daar kwam is een groot vraagteken.

Naarmate de oorlog verder van me af is en je er over nadenkt zijn er vraagtekens. Tegen die jongens uit Amersfoort was gezegd: dat er joden van het ene deel van Amsterdam naar een ander deel vervoerd moest worden. Die jongens zijn overigens na een maand of drie weer vrij gelaten. Jan Bonekamp en ik waren de enigen die van buiten kwamen, tenminste ik dacht van wel. Wij zijn, nadat ze ons uitgelegd hadden hoe we moesten lopen, naar het Centraal Station gegaan. Later was ik wel goed bekend in Amsterdam, maar toen nog niet zo. We kochten een kaartje en gingen het perron op. Er stonden wat mensen die, ik denk, bij familie Oud- en Nieuw hadden gevierd want ze waren in vrolijke stemming. We liepen op dat perron en er kwamen twee kerels. En kijken die twee over dat perron!
bldz. 98
Wij stonden inmiddels bij dat groepje Oud- en Nieuwvierders, ik denk een man of twintig. Ik geef Jan een por en we beginnen ook meteen vrolijk te doen en een beetje te lallen. Die kerels liepen dat hele perron af, kijken en kijken, gingen weg en effe later zagen we ze op het andere perron.

Nou, toen duurde het een poosje en in die tussentijd hebben we wel het een en ander gedaan. Het was niet zo dat we vakantie hielden, hoor, maar ik bedoel, het duurde een poosje voor we weer naar de Weteringschans gingen. Het zou weer onder leiding zijn van Gerrit van der Veen. We hadden een plaats van samenkomst in de Sarphatistraat. Maar omdat Sarphati een Jood was heette die straat toen de Muiderschans. Een nummer dichtbij de 100. Dat was daar een behoorlijke woning, die voor ons beschikbaar was gesteld.
Jan Bonekamp was er weer bij. Een paar jongens uit Alkmaar, Johan Asjes en Joop Jongh, Meindert van der Horst. En laat ik dit erbij zeggen: niet lang voor wij bijeen waren, was Karel Pekelharing gepakt, was Paul Guermonprez gepakt. Maar goed, de bedoeling was, dat er een ploegje van een man of zes buiten de gevangenis zou blijven. Ik kreeg opdracht om het archief te doorzoeken, kijken dus waar de Todes-kandidaten zaten. Om die er in ieder geval eerst uit te halen. Van te voren waren we natuurlijk allemaal goed geïnstrueerd. Er was een goede plattegrond en die met iedereen doorgenomen. We wisten precies hoe de gangen, deuren, kamers enz. gelegen waren. Ook wisten we wie waar zat, ik bedoel de bewakers en de SS-ers. Als we de gevangenen bevrijd hadden werden ze meteen naar onderduikadressen gebracht. Dat was ook allemaal geregeld. Nou, we gingen er groepje voor groepje heen. Groepjes van drie man, meteen nadat de Sperrtijd voorbij was. Gerrit van der Veen ging eerst met twee man. Ik was bij het derde groepje met twee man. Toen we daar kwamen was de bewaker die meewerkte net naar buiten gekomen. Die deed op de afgesproken tijd de deur open. Hij werd meteen naar het onderduikadres gebracht, waar zijn vrouw en kinderen al heengebracht waren. Dat was om eventuele represailles van de Duitsers t.o.v. het gezin te voorkomen. De lappen met de gaten voor het gezicht.
bldz. 99
Gerrit van der Veen, Jan Bonekamp, ik en de anderen de gang in. Schemerachtig licht, want hier en daar brandde maar een heel klein lampje. We kwamen bij de kruising en we wisten: links de Hollandse bewakers, een man of zes, zeven. Dus dat weren de gewone gevangenbewaarders. En rechts de SS-ers, die nachtdienst hadden. Dat waren er maar een paar. Ook in een kamertje, daar hing vitrage voor. We waren bijna bij de kruising en er gaat aan de linkerkant, om de hoek bij de Hollandse bewakers, een deur open. We horen wat stemmen en de deur gaat weer dicht. En dan een beetje neuriënd in zich zelf, en dat klinkt erg luid in die nachtelijke stilte, komt er zo'n bewaarder naar de kruising gelopen. Wij hadden allemaal dikke sokken over onze schoenen. Dus even later komt die Hollandse bewaker in zijn uniform de hoek om. En meteen Jan Bonekamp – die was meteen bij hem – pistool onder zijn neus. En die man was helemaal van streek.
Oh, oh, oh wat is dat nou. Hou je smoel! hou je smoel! Meegenomen naar achteren; een man moest bij hem blijven. Gerrit van der Veen wenkte mij en ik achter hem aan. Naar de rechterkant, want dat was de belangrijkste kant, waar die SS-ers zaten. Hij keek door die vitrage en zag niks. Haalde zijn schouders op, want praten deden we niet natuurlijk. Hij stond weer met zijn neus tegen dat raam en ik gaf hem een por. Want aan de overzijde, tegenover de gang waar wij doorgekomen waren, voorbij die kruising, daar stond een deur open en daar kwam wat licht uit. Dus ik gaf hem een por en ik wees. Maar hij keek niet eens! Hij deed voorzichtig die deur open en ging naar binnen en ik achter hem aan. Op een bed of een soort divan lag een SS-er te maffen. Ik had een ploertendoder in mijn hand. Er was dit gezegd: als er geschoten moet worden of zij schieten, ogenblikkelijk de benen nemen. Want boven lagen ook nog zo'n twintig à dertig SS-ers. En die keken vanuit het raam op de binnenplaats. Dus als er geschoten werd en wij maakten niet snel dat we wegkwamen, dan zaten we in de fuik. Bovendien hadden zij automatische wapens!
Maar rechts stond een bureau, Gerrit was daar al voorbij en ik volgde hem. In het schemerdonker ging er een grote hondekop omhoog. Ik gaf hem weer een por maar hij schoot al. En toen naar die hoek rechts tegenover die deur, waar je de contouren van die SS-er kon zien. Gerrit loste daar nog een paar schoten op en toen was het terug, wegwezen, lopen, lopen, lopen!
bldz. 100
Dus wij rennen, rennen, ik nog met die ploertendoder in mijn handen. Buiten heb ik hem snel verwisseld voor mijn pistool, want ik had die SS-er onschadelijk willen maken zonder geluid. En we waren halverwege die gang weer terug. En toen met een enorm lawaai een paar salvo's uit een automatisch wapen achter ons. Dat was uit die buurt waar ik die deur had gezien. Hij heeft bar in het plafond geschoten, want we waren wit van de kalk. Ik kreeg een kogel in mijn dij, dat bleek later. Ik voelde wel een branderig gevoel, maar ik dacht nooit aan een kogel. Ik dacht alleen maar, ik moet voorbij die SS-ers die boven zitten! Die zouden inmiddels ook wel wakker geworden zijn en de commandant ook natuurlijk. Die had vlak bij de ingang zijn kamer. Maar Gerrit van der Veen kreeg een kogel. Er vielen er nog een paar die stenen trap af naar buiten. Dat waren maar drie treden, maar allemaal door de haast natuurlijk. En Gerrit viel ook, zei nog: ik ben gewond. En ze hieven hem meteen al op en ze namen hem mee. Ik kon daar meteen achteraan. Rechtsaf gingen ze. Richting Sarphatistraat. Ik riep naar iemand: ik ga naar een ander adres, daar ben ik veel vlugger. Dat was op de Lijnbaansgracht bij Mevrouw van As. Dat was een adres van Ies Haringman. Die mevrouw heeft me toen verbonden. Toen bleek dat ik een kogel in mijn portemonnaie had gekregen. Het lipssleuteltje van mijn kleedkastje van de Hoogovens, dat daar ook in zat, was in drieën. Een zinken kwartje was helemaal geblutst en een opgevouwen papieren rijksdaalder was net een knipkaart. Ik denk dat de kogel daardoor van richting is veranderd en alleen door het vlees is gegaan. De jongen die bij me was, een oud-Spanjestrijder, die had hem boven zijn sleutelbeen ook alleen door het vlees gekregen. Toen hebben we daar wat geslapen en toen zijn we weer afgezakt. Dus ook deze keer mislukt.

bldz 102 Witte Ko (Jan Postma)
Jan Postma heeft drie maanden geketend gelegen. Via een goede bewaarder was er kontakt met een bewaarder in de Weteringschans. Die moest de Duitse arts eventueel assisteren. Met die gevangenisarts was afgesproken dat hij Jan Postma iets zou geven, Norit of zo iets, en dan kreeg je zwarte ontlasting en dat kan duiden op een maagbloeding. Dan zou die gevangenisarts voorschrijven dat Jan moest worden opgenomen in het ziekenhuis, het WG. En dan zouden wij meer kans hebben een bevrijding op touw te zetten. Dat was de afspraak. De isoleerafdeling in het WG werd voor deze gevangenen niet meer gebruikt. Er was een ander sterker bewaakt paviljoen. Als er bericht kwam, dat Jan Postma van de Weteringschans naar het WG zou moeten worden vervoerd, zouden Jan Bonekamp en ik, als mensen van de Geneeskundige dienst met een ambulance komen om hem te halen.
bldz 103
Er was al kontakt gelegd met iemand van het ambulancevervoer, we kregen een beetje onderricht hoe we ons moesten gedragen met een patiënt en zo. Dat was bij de Jong uit de Stadionbuurt, de kontaktman uit het WG. Hij had ook nog twee petten die we op moesten zetten. Er was een onderduikadres vlak bij het WG. En alles was weer hartstikke mooi geregeld en georganiseerd. Het zou gebeuren op een bepaalde dag en toen kwam er bericht, dat de gevangenisarts zich terugtrok. Ik kan me dat wel voorstellen. Hij durfde niet meer. Daarna is Jan Postma naar het concentratiekamp Vught gebracht.


bldz 108 Witte Ko (De dood van Jan Bonekamp)
Op 17 of 18 juni 1944 haalde Jan mij in op de Provinciale weg. Ik moest naar een bespreking toe, ik hoorde hem achter me schreeuwen. Hij kwam naast me fietsen. Ik wist dat hij achter beruchte SS-ers, vader en zoons Faber, in Haarlem aan zat. De zoons zullen wel aan het Oostfront gezeten hebben. We stopten en hij zei: Nou het is gelukt met Faber en wie is de volgende? Ik zei: Is Hannie (Schaft) niet bij je? Nee, die komt nog. Hij zei: Je hebt het eens over die Ragut gehad. Ik zei: Ja, die man stond namelijk ook op de salarislijst die we uit Amsterdam hadden. Als kapitein stond die te boek. En we wisten natuurlijk genoeg van hem. Hij was hoofd van de politie in Zaandam. Ik had niet lang tevoren kontakt gehad met een inspecteur van politie, Bob Pel, ook in Zaandam dus. Daar had ik alle mogelijke inlichtingen van ontvangen. Ook een waarschuwing. Denk erom: Het kan zijn dat hij twee pistolen bij zich heeft. Hij heeft wel eens gezegd, als een aanslagen hadden plaatsgevonden: Als het mij gebeurt, zal ik zorgen dat ik ze vóór ben. Ik ben op mijn hoede.
Dus hij wist ook wel dat er op hem geloerd kon worden, gezien zijn aktiviteiten. Ik heb met Jan afgesproken, want de volgende dag moest ik naar Amsterdam. En de daarop volgende ochtend zou ik terug komen. Dan zouden we elkaar treffen in het café schuin tegenover het station Zaandam. Zo en zo laat daar zijn. Hij en Hannie waren daar op de afgesproken tijd. Ik heb verteld wat ik wist, vooral de informatie van Bob Pel. Ik zei, dan gaan we nou de route fietsen van zijn adres in de Westzijde naar het politiebureau in de Vinkenstraat. Dat hebben we gedaan. Daarna ben ik mijn gang weer gegaan. Jan zei: Het komt in orde. Hannie zei: We zullen proberen het zo vlug mogelijk te doen, want er is nog veel meer werk aan de winkel. Ik kwam op 21 juni 1944 uit Noord-Holland hier naar toe. In Limmen bij Bult waar ik even aanging hoorde ik dat ze er niet waren. Dat was hun onderduikadres. Jan en Hannie waren die dag al vrij vroeg weggegaan, want er moest wat belangrijks gebeuren hadden ze gezegd.
Hier hoorde ik al dat er een aanslag was gepleegd in Zaandam. Jo (mevrouw Brasser) had een uitleenbibliotheek tevens textielzaak.
Nou was er wat dat betreft al niks meer te verkopen. Maar er was met die boeken natuurlijk altijd veel aanloop.
bldz 111
En dan werd er veel nieuws uitgewisseld. Die aanslag ook, het ging als een lopend vuurtje: aanslag op een politieman en verder gingen de berichten nog niet.
Ik moest nog naar een adres in Assendelft en ik kwam Hannie tegen. Ze was helemaal van streek, want ze was al een poosje naar Jan aan het zoeken. Ze hadden namelijk afgesproken, dat ze na de aanslag via verschillende wegen elkaar op de Provinciale weg zouden treffen. Het was tegen het einde van de middag en ik beloofde Hannie dat ik het zou uitzoeken. Ik zei: ga jij maar naar je adres in Limmen dan kom ik het je vanavond vertellen. Ik ben naar Bob Pel gegaan, die was gelukkig thuis. Die vertelde wat er gebeurd was. Er was een agent het politiebureau ingekomen, eentje die straatdienst had en die zei: Ragut is neergeschoten! Het bleek dat Hannie eerst geschoten had, maar niet goed raak. Zij is toen doorgefietst. Daar achter kwam Jan Bonekamp en die heeft ook geschoten. En dat was bijna helemaal goed. Hij lag op de grond die Ragut, en liggend heeft hij zijn pistool nog kunnen pakken. En heeft nog zeven schoten op de wegfietsende Jan afgevuurd. Een van die kogels is door Jan zijn buik gegaan, een hele slechte plaats natuurlijk. Jan wist, met bloed uit zijn mond komend, een stuk verderop bij mensen binnen te komen. Die wisten niet wat er aan de hand was. Jan schijnt wel een paar woorden gezegd te hebben; het pistool op tafel. Dat had hij waarschijnlijk nog in zijn hand. Die vrouw is de straat op gegaan, helemaal van streek. En er is een foute politieagent bij geroepen. Jan is kort daarna bewusteloos geraakt. Op de brancard naar het politiebureau gebracht. Die hebben ogenblikkelijk de Euterpestraat Amsterdam ingelicht. Ze kwamen met een rotgang naar Zaandam. Hij kon hier niet verhoord worden. Naar Amsterdam gebracht naar het Luftwaffen Lazarett, op het terrein van het WG. Het was inmiddels avond geworden en ik had al in mijn hoofd: Ik moet naar De Jong. Dat was die man van de GGD, van de ambulance. Ik ben daar ook later heengegaan, maar hij wist me te vertellen, dat Jan inmiddels gestorven was. Ze hebben hem nog geregeld injecties toegediend om hem bij bewustzijn te krijgen. Allemaal om nog maar zoveel mogelijk uit hem te krijgen.
bldz 112
In zijn kleren had hij het oude adres van Hannie Schaft; de ouders van Hannie zijn nog een poosje in Vught vastgehouden en weer vrijgelaten. Maar Jan is gestorven, nadat ze hem geregeld sterkere injecties hadden gegeven. Hij ging steeds weer in coma, tot hij op het laatst dood was.
Toen Jan gearresteerd was en dood was, ben ik naar Hannie gegaan. Ze was helemaal van de kaart. Ik zei: heb je goeie adressen in Haarlem of Santpoort.
Ja dat is wel goed, dat is wel goed. Ik zei: ga er heen en blijf eerst een poosje rusten.
Ik dacht: Ja, je weet het nooit he.
Jan en Hannie hadden al heel wat akties samen achter de rug. En ik kende hun instelling en methodes. Dus ik dacht: blijf jij eerst maar een poosje rustig. Bij Jan Bult in Limmen ben ik ook meteen geweest. Om te waarschuwen dat Jan gearresteerd was. Ik zei tegen Bult: je moet een paar dagen verdwijnen. Dit is het onderduikadres van Jan Bonekamp en het kan wel eens gevaarlijk zijn voor jou. Jan Bult zei: Ja, alles goed en wel, maar wie moet dan die koeien melken? Verder ben ik Hannie nog een keer tegengekomen. Dat was in het hoofdkwartier van de sabotagegroep Haarlem, ergens op de grens Haarlem/Heemstede. De Spanjaards eiken, heette het huis. Dat was het huis van de beeldhouwer Marie Andriessen. Die had zijn atelier beschikbaar gesteld voor het verzet. Ik heb met Hannie daar nog gesproken, voor mij de laatste keer.

Jan Bonekamp heeft zich enorm geweerd in het verzet. Heerlijk als zo'n jongen meedeed. Je wist dat je tot in de dood op hem aankon. Een pracht kameraad en toen ik het hoorde . . . . .

bldz 113 foto beeldje in Zaandam

bldz 146 Witte Ko
De dood van Bonekamp heeft mij erg geschokt, maar je kon er niet lang bij stil blijven staan, daar was gewoon geen tijd voor, er was nog zo veel te doen.
Het is heel wat keren gebeurd dat ik en Jan Bonekamp met anderen samen in aktie waren. Ik zou Jan echter te kort doen als ik niet zou zeggen, dat hij buiten datgene dat ik
verteld heb nog veel en veel meer gedaan heeft in het verzet. Hij kwam ook veel in Haarlem en omstreken.
Hij was een enorme verzetsstrijder, eentje van het harde en betrouwbare soort waar ik erg graag mee heb samengewerkt.

bldz 155 foto slachtoffers onder Hoogovenspersoneel


 


Gemeenteraad Uitgeest 1937 Vals Persoonsbewijs Jan Brasser, foto Verzetsmuseum A'dam Jan Brasser, (jaren 1980), foto Plekker     Jan Brassertunnel, 
zal worden geopend medio 2006 in Krommenie/Assendelft, foto Plekker

Op de eerste foto ziet u Jan Brasser (met witte pijl) als gemeenteraadslid temidden van Burgemeester en Wethouders en andere raadsleden van Uitgeest (juni 1937). Rechts naast hem het andere CPN-raadslid Cor Twisk, die in oktober 1941 samen met vijf anderen (Bertus van Tongeren, Van Bennekom, Cees Ris, Rinus en Jaap Tromp) gearresteerd werd. De drie laatstgenoemden werden opgepakt wegens het verspreiden van in het Duits gestelde pamfletten onder Wehrmacht-soldaten, de anderen wegens het verspreiden van De Waarheid. Slechts Van Bennekom en Ris keerden in 1945 terug.

(bldz. 21 Witte Ko)